ECLI:NL:RBZWB:2025:8954

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
23/11070
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de naheffingsaanslag Bpm en de toekenning van schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023 beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.793, welke later werd verminderd met € 7.371 na gegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank behandelt het beroep op 4 november 2025, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs aanwezig zijn. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag onterecht was en vermindert deze tot € 1.698. Tevens wordt een schadevergoeding van € 1.000 toegekend aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten moet vergoeden, en dat de Staat ook een deel van de schadevergoeding moet betalen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.793.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd met € 7.371.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 13 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Land Rover Range Rover Sport met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 25.295.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] B.V. van 8 december 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 79.794, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 9.812 geconstateerd en dit bedrag volledig op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 69.982.
3.2.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 35.088. De inspecteur is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel. Met dagtekening 7 april 2023 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 9.793 aan verschuldigde Bpm.
3.3.
Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is gegrond verklaard. De inspecteur heeft alsnog de afschrijving bepaald aan de hand van een (nieuwe) koerslijst van Xray. Hij heeft de naheffingsaanslag om die reden verminderd met € 7.371. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de taxatiemethode als afschrijvingsmethode kan worden gebruikt en zo ja, of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat kan worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 176.409. Ook dient aan belanghebbende een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase te worden toegekend. Het beroep wordt daarom reeds gegrond verklaard.
Toepassing taxatierapport
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat Bpm is verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto in het Nederlandse kentekenregister. [2] De Uitvoeringsregeling Bpm bepaalt dat het bij de aangifte gebruikte taxatierapport ten hoogste één maand vóór het afschrijvingsmoment is opgemaakt. [3] Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het taxatierapport van belanghebbende op 8 december 2022 is opgemaakt. De taxateur heeft in het taxatierapport vermeld dat hij de auto op 7 december 2022 van 8:00 uur tot 8:15 uur heeft geïnspecteerd. De RDW heeft de auto een dag eerder, op 6 december 2022, gekeurd.
4.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het taxatierapport niet voldoet aan de voorwaarde dat het ten hoogste één maand voor de inschrijving in het kentekenregister is opgemaakt. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen om de afschrijving voor de auto te bepalen. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de koerslijstmethode van toepassing is en dat de handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst van Xray van de inspecteur.
4.6.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde daarom vast op € 82.035.
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 176.409, een handelsinkoopwaarde van € 82.035 en een bruto Bpm van € 58.048 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 26.993. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 25.295 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 1.698.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft op 21 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 26 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 16 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond acht maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.10.
Omdat de bezwaarfase afgerond zeven maanden heeft geduurd en daarmee een maand te lang komt € 125 (1/8e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 875) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [4] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108.
5.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.698;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 875;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
2.Artikel 1, lid 2, van de Wet Bpm.
3.Artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.