Op 10 december 2022 werd verdachte verdacht van openlijke geweldpleging en het voorhanden hebben van een ploertendoder in Giessen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor een substantiële bijdrage aan het geweld, waardoor verdachte van dat feit werd vrijgesproken.
Voor het bezit van de ploertendoder legde verdachte een bekennende verklaring af en werd dit feit wettig en overtuigend bewezen verklaard. Ondanks de strafbaarheid achtte de rechtbank het opleggen van een straf niet passend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, de concrete gedragingen van verdachte en het feit dat hij vier dagen in voorarrest had gezeten.
De rechtbank verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering wegens de vrijspraak van het geweldsfeit. De in beslag genomen ploertendoder werd onttrokken aan het verkeer. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025.