ECLI:NL:RBZWB:2025:8962

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
02-323570-22
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging en wapenbezit met toepassing ASR

Op 10 december 2022 vond in Giessen een geweldsincident plaats waarbij verdachte met een groep vrienden het slachtoffer bedreigde, openlijk geweld pleegde en een ploertendoder bij zich had. Verdachte schoot met een gaspistool in de lucht richting het slachtoffer, die door anderen met vuisten en een ploertendoder werd geslagen, waarbij letsel ontstond.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag en zware mishandeling vanwege het gebruik van een gaspistool met knalpatronen, maar verklaarde de meer subsidiaire bedreiging, openlijke geweldpleging en het bezit van de ploertendoder bewezen. Een geslaagd beroep op noodweer werd erkend voor het geweld door een medeverdachte tijdens de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding, maar niet voor het latere geweld.

De rechtbank legde een werkstraf van 80 uur op met vervangende jeugddetentie van 40 dagen, rekening houdend met de jeugdige leeftijd, berouw en het advies van de reclassering. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €908,21 toegewezen, inclusief materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 december 2022.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 80 uur werkstraf met vervangende jeugddetentie van 40 dagen en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €908,21.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-323570-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 december 2025
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. T.W. Gijsberts, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 en 19 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. R. in ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De zaken tegen [medeverdachte 1] parketnummer 02-323608-22, [medeverdachte 2] , parketnummer 02-323593-22, [medeverdachte 3] , parketnummer 02-284526-23 en [medeverdachte 4] , parketnummer 02-284536-23 zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]
op 10 december 2022 in Giessen
feit 1:zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling dan wel een bedreiging van [slachtoffer] door met een geladen vuurwapen (richting [slachtoffer] ) te schieten;
feit 2:openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en een goed, te weten de auto van [slachtoffer] ;
feit 3:een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte enkel heeft geschoten met een gaspistool met knalpatronen, waardoor een kans op het dodelijk of zwaar gewond treffen van aangever onder deze omstandigheden niet aan de orde was. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Ook acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging en het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben en dragen van een ploertendoder.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte gericht of in de richting van aangever heeft geschoten. Daarnaast blijkt uit het dossier dat er is geschoten met een gaspistool, hetgeen onmogelijk tot een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen leiden. Ten aanzien van de meer subsidiaire bedreiging is geen verweer gevoerd.
De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over de bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde uitvoeringshandelingen, met uitzondering van het gericht op of in de richting van aangever schieten.
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt vast dat er op 10 december 2022 aan de Distributiestraat in Giessen een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij een groep van in totaal acht personen, waaronder verdachte en vier medeverdachten aanwezig zijn geweest. [slachtoffer] is hiervan het slachtoffer geworden. Verdachte heeft bekend dat hij met een gaspistool in de richting van [slachtoffer] in de lucht heeft geschoten. [slachtoffer] is daarnaast door anderen met vuisten en een ploertendoder tegen zijn hoofd en lichaam geslagen, terwijl hij nog in zijn auto zat. Ook is een ruit van de auto van [slachtoffer] met de ploertendoder ingeslagen. Hierdoor is aan hem letsel toegebracht, bestaande uit een lichte zwelling aan de linkerzijde van zijn hoofd.
Feit 1
Verdachte heeft bekend op 10 december 2022 met een gaspistool in de richting van [slachtoffer] in de lucht te hebben geschoten toen die wegrende. De verschoten munitie betrof knalpatronen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hierdoor de primair ten laste gelegde poging doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. De onder 1 meer subsidiair(vul de feitaanduidingen in) ten laste gelegde bedreiging kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.
Feit 2
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] . Gelet op de bewijsmiddelen kan feit 2 wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
Feit 3
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 10 december 2022 een ploertendoder voorhanden heeft gehad en heeft gedragen. Verdachte heeft dit feit bekend en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
meer subsidiair:
op 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena, [slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht door meermalen te schieten met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] ;
2
op 10 december 2022 te Giessen openlijk, te weten aan de Distributiestraat te Giessen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer]
, en/of een goed van die [slachtoffer] , te weten een autoruit door
- die [slachtoffer] meermalen, met zijn vuisten en een ploertendoder op zijn linkerarm en schouder en hoofd te slaan en
- met een ploertendoder op een ruit van de personenauto van die [slachtoffer] te slaan en
- meermalen, met een vuurwapen, in de lucht en in de richting van die [slachtoffer] in de lucht te schieten;
3
op 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 1° of 3°, te weten ploertendoder, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Feit 2 Openlijke geweldpleging

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt dat aan verdachte, ten aanzien van het geweld tegen [slachtoffer] en zijn auto is gebruikt voordat [naam] de auto had verlaten, een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hij voert daartoe aan dat deze handelingen van de medeverdachten een gevolg zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam] door [slachtoffer] waartegen zij verdedigd mocht worden. [slachtoffer] was met [naam] weggereden en heeft erkent dat hij [naam] in de auto heeft geslagen. De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van het schieten van verdachte sprake was van noodweerexces (in diverse juridische varianten). Verdachte heeft verklaard dat hij bloed op [naam] ’s gezicht zag toen zij uit de auto kwam, waardoor hij boos werd. Het letsel van [naam] leidde bij verdachte tot een hevige gemoedsbeweging, waardoor hij, te laat, in de lucht heeft geschoten.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat enkel ten aanzien van het door [medeverdachte 4] toegepaste geweld voldoende aannemelijk is geworden dat de noodweersituatie nog acuut was omdat [naam] op dat moment nog in de auto van [slachtoffer] zat. Ten aanzien van het door de overige verdachten daarna toegepaste geweld stelt de officier van justitie dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) stelt de rechtbank op basis van het dossier en het onderzoek op zitting allereerst de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feiten en omstandighedenOp 9 december 2022 komen de vrienden [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] samen in de woning van [verdachte] om een voetbalwedstrijd te kijken. [naam] hoort ook bij de vriendengroep en is ook aanwezig. De vriendengroep weet van de problemen van [naam] met haar ex-vriend [slachtoffer] , die [naam] volgens haar zeggen lastig blijft vallen. De vorige avond nog heeft [naam] geappt met [medeverdachte 2] dat ze 112 gaat bellen, omdat [slachtoffer] er weer is. [medeverdachte 2] reageert dat ze binnen moet blijven en als [naam] appt dat ze haar vader wakker gaat maken, reageert [medeverdachte 2] dat ze niemand wakker moet maken. Als [slachtoffer] naar de deur komt, komt [medeverdachte 2] namelijk gelijk en maakt hij hem kapot. Tot een confrontatie komt het die nacht niet.
Op 9 december 2022 iets voor 21:00 uur chat [medeverdachte 2] naar [verdachte] : Na de wedstrijd gaan wij [slachtoffer] kapot slaan. Als [verdachte] reageert met ”Waar” chat [medeverdachte 2] dat ze (rechtbank: hem) eerst op zoeken, maar vanavond gaat hij kapot. Met de telefoon van [medeverdachte 1] bericht [medeverdachte 2] [slachtoffer] rond dezelfde tijd dat [naam] het straks wel uit wil praten met [slachtoffer] . Tijdens de wedstrijd zeggen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dat ze [slachtoffer] gaan slaan en pakken en zijn daar heel serieus over.
Na de wedstrijd rijdt de vriendengroep inclusief [naam] naar een voetbalveldje in Woudrichem waar [naam] via de telefoon van [medeverdachte 1] de concrete afspraak met [slachtoffer] maakt. Bij het voetbalveldje laten ze wapens aan elkaar zien en worden wapens gewisseld. [verdachte] geeft een ploertendoder aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] geeft een gaspistool aan [verdachte] . Op dat voetbalveldje hebben [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nader besproken dat ze [slachtoffer] wilden insluiten en hem wilden slaan. Vervolgens rijden [medeverdachte 1] en [verdachte] (in de Golf 7 van [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] en [naam] (in de Golf 6 van [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (in de Lupo van [medeverdachte 4] ) naar de afgesproken ontmoetingsplek met [slachtoffer] : het tankstation in Giessen.
Bij het tankstation stapt [naam] bij [slachtoffer] in de auto, waarna [slachtoffer] meteen weg rijdt. Het is dan inmiddels 10 december 2022 00:09 uur. De drie auto’s met de vrienden rijden er meteen achteraan. Het was namelijk hun bedoeling dat [naam] met [slachtoffer] in zijn auto bij het tankstation zou blijven. Tijdens de daarop volgende achtervolging hebben [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] het meeste zicht op wat er in de auto van [slachtoffer] gebeurt, omdat de auto met [medeverdachte 1] en [verdachte] gaandeweg wat achterop raakt.
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zien tijdens het rijden op enig moment een been van [naam] buiten de auto en [medeverdachte 3] ziet ook dat [naam] wordt geslagen door [slachtoffer] . Na ruim 10 minuten wordt [slachtoffer] op het industrieterrein van Giessen klemgereden met de auto van [medeverdachte 2] ervoor en de auto met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] er achter. De auto van [medeverdachte 1] en [verdachte] komt wat later aan.
Na het klem rijden, loopt [medeverdachte 2] naar de bijrijderskant van de auto van [slachtoffer] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] naar de bestuurderskant. [slachtoffer] heeft op dat moment nog een arm om de keel van [naam] en [medeverdachte 3] ziet bloed bij haar lippen. [medeverdachte 4] opent het bestuurdersportier en slaat [slachtoffer] een paar keer en [medeverdachte 2] sleurt [naam] uit de auto om bij [slachtoffer] te komen. Die heeft ondertussen zijn deur dichtgedaan, waarna [medeverdachte 3] met een ploertendoder de ruit inslaat. Als [naam] al uit de auto is, gaan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] [slachtoffer] meppen. [medeverdachte 3] met de ploertendoder en [medeverdachte 2] met zijn vuisten. [slachtoffer] doet niets terug. Na ongeveer 15 seconden stoppen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en stapt [slachtoffer] uit de auto. [verdachte] schiet dan een paar keer met een gaspistool in de lucht en als [slachtoffer] wegrent ook nog in de lucht in de richting van [slachtoffer] .
De vriendengroep inclusief [naam] rijdt dan naar Brakel en bij een veldje in Brakel praten ze nog wat na. [naam] wordt vervolgens door [medeverdachte 1] (met [verdachte] ) teruggebracht naar haar huis.
Strafbaarheid feit
Noodweer?Volgens vaste jurisprudentie is voor noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De situatie moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte, dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding als hiervoor bedoeld. De situatie moet dus een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan; er moet in de ogen van een derde of naar uiterlijke verschijningsvorm beschouwd sprake zijn van een onmiddellijke dreiging.
a.
Op het moment dat [naam] nog met [slachtoffer] in zijn tot stilstand gedwongen auto zit en [slachtoffer] een van zijn armen om haar keel heeft geklemd, is er naar het oordeel van de rechtbank nog sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen enig maar dan wel gepast geweld gebruikt mag worden. Voor dat openlijk geweld - de door [medeverdachte 4] uitgedeelde klappen - komt verdachte en zijn mededaders een geslaagd beroep op noodweer toe, waardoor dat geweld niet strafbaar is. Daarvoor zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
b.
Vanaf het moment dat [naam] uit de auto van [slachtoffer] is, is er echter geen sprake meer van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Over een toen nog dreigend gevaar voor een (verdere) aanranding heeft geen van de vrienden verklaard en daarvan is ook overigens niet gebleken. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het toen nog gevolgd geweld uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Strafbaarheid verdachte
Noodweerexces?Volgens vaste jurisprudentie is voor een geslaagd beroep op noodweerexces na beëindiging van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding vereist dat de noodzaak tot verdediging er wel was geweest (maar niet meer bestond), maar de gedragingen niettemin het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Aan het gevolgvereiste is echter niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier het geval.
De reeds bestaande kwaadheid van [medeverdachte 2] richting [slachtoffer] blijkt overduidelijk uit zijn appberichtjes naar [naam] de avond van 8 december 2022 en wordt bevestigd door zijn chat met [verdachte] op 9 december 2022 rond 21:00 uur. Dat die kwaadheid wordt gedeeld door [verdachte] blijkt uit zijn reactie. Hij neemt er namelijk geen afstand van en probeert [medeverdachte 2] ook niet op andere gedachten te brengen, maar vraagt simpelweg: “Waar.” Dat ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] al kwaad waren op [slachtoffer] volgt uit hun gesprek met [medeverdachte 2] tijdens de wedstrijd, waarin ze serieus bespreken dat ze [slachtoffer] gaan slaan en pakken. Dit voornemen wordt nog concreter besproken bij een voetbalveldje in Woudrichem . Ze zijn zelfs zo kwaad dat twee van de vier - [medeverdachte 3] en [verdachte] - een wapen meenemen naar de ontmoeting (van [naam] ) met [slachtoffer] . Daarom slaagt het beroep op noodweerexces niet en zijn verdachte en zijn mededaders strafbaar. Er is ook overigens niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Feit 1 en 3
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Er is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank om het sanctierecht voor minderjarigen (ASR) toe te passen en vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de verdediging kan met een grotendeels voorwaardelijke taakstraf worden volstaan, omdat verdachte daarmee voldoende is gestraft. Zij verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de ouderdom van de zaak en wijst in dat kader op de overschrijding van de redelijke termijn. Voorts dienen te worden meegewogen de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, de proceshouding van verdachte en het feit dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen naar aangever, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering om het ASR toe te passen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst en de aard van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte is op
10 december 2022 met een groep vrienden naar het tankstation in Giessen gereden waar was afgesproken met het slachtoffer, vervolgens heeft er een achtervolging plaatsgevonden en werd het slachtoffer ingesloten, waarna openlijk geweld is gepleegd. Er was sprake van fors geweld. Het slachtoffer werd meermalen geslagen, waaronder met een ploertendoder en er werd met een gaspistool in de richting van het slachtoffer in de lucht geschoten. Daarnaast is ook de ruit van de auto van het slachtoffer ingeslagen met de ploertendoder. Het slachtoffer heeft pijn en letsel aan dit geweld overgehouden. Hij had negen dagen later nog een lichte zwelling aan de linkerzijde van zijn hoofd.
Door het meedoen aan de openlijke geweldpleging heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de veiligheidsgevoelens van het slachtoffer. Dergelijk geweld, gepleegd op de openbare weg, maakt een grove inbreuk op de rechtsorde en brengt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De rechtbank overweegt daarnaast dat het te hulp schieten van een vriendin niet als excuus mag worden gebruikt om de reeds bestaande woede tegen een bepaald persoon te botvieren. Geweld is niet de manier om eventuele problemen van een vriendin op te lossen, laat staan met de mate van het door de verdachten toegepaste geweld.
Daarnaast heeft verdachte op 10 december 2022 een wapen in de zin van categorie I van de Wet Wapens en Munitie voorhanden gehad en gedragen, te weten een ploertendoder. Het ongecontroleerde bezit van dat soort wapens brengt onaanvaardbare risico’s met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving, helemaal omdat dergelijke wapens vaak worden gebruikt bij het plegen van andere strafbare feiten, zoals hier door een mededader is gebeurd bij de openlijke geweldpleging.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft op zitting de volle verantwoordelijkheid genomen voor wat hij gedaan heeft en ook toonde hij berouw. Verdachte heeft in een eerder stadium contact opgenomen met het slachtoffer en zijn excuses aangeboden. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat hij het ook zo heeft ervaren. Met deze houding van verdachte zal rechtbank rekening houden in strafverminderende zin.
Ook houdt de rechtbank rekening met het rapport van Reclassering Nederland van 27 oktober 2025. Uit dat rapport volgt dat de reclassering het recidiverisico inschat als laag. De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring het ASR toe te passen omdat verdachte destijds achttien jaar oud was en de risico’s van zijn eigen handelen slecht inschatte. Daarnaast handelde hij impulsief (wat wordt versterkt onder invloed van middelen) en liet hij zich gemakkelijk beïnvloeden door vrienden en kennissen. Verdachte organiseert zijn eigen gedrag enigszins, maar heeft ook nog hulp nodig van familie en een bewindvoerder. Bij een veroordeling kan volgens de reclassering worden volstaan met een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en toezicht zijn niet nodig omdat deze geen toegevoegde waarde meer hebben.
De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten 18 jaar oud was. Zij ziet overeenkomstig het advies van de reclassering en in lijn met de vordering van de officier van justitie in de persoon van verdachte aanleiding om het ASR toe te passen en een sanctie op te leggen op basis van de bijzondere bepalingen voor jeugdigen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh Sr.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbankstelt vast dat verdachte op 10 december 2022 in verzekering is gesteld en zij
16 december 2025 eindvonnis wijst. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal deze overschrijding in het voordeel van verdachte betrekken bij het bepalen van de strafmaat.
De op te leggen straf
Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is voor het plegen van openlijk geweld tegen personen met enig lichamelijk letsel tot gevolg het oriëntatiepunt voor jeugdigen in beginsel een taakstraf van 40 uur. Ook bij iemand met een blanco strafblad zoals verdachte. Bij strafverzwarende omstandigheden kan de strafmaat worden verhoogd. Iedere strafverzwarende omstandigheid telt daarbij in beginsel voor 40 uur taakstraf. In deze zaak wordt als strafverzwarende omstandigheid aangemerkt het gebruik van de ploertendoder en het gaspistool. Dit betekent dat voor dit feit in beginsel een taakstraf van 120 uur passend is.
Naast de eerdergenoemde omstandigheden waarmee de rechtbank rekening houdt, houdt de rechtbank er bij de strafoplegging rekening mee dat verdachte niet degene is geweest die het lichamelijk letsel bij het slachtoffer heeft toegebracht. Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uren.

7.De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.394,89(vul bedrag in terzake van materiële schade) aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,00(vul de te bewaren goederen in) aan immateriële schade.
De gestelde materiële schade bestaat uit:
  • Reparatiekosten auto: € 1.006,24;
  • Eigen risico zorgverzekering over 2022 en 2023: € 388,65.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Reparatiekosten auto
Allereerst merkt de rechtbank op dat de gevorderde kosten volgens de toelichting zien op de reparatiekosten van de auto minus de kosten voor het spuiten van de linker voorvelg. De rechtbank houdt het er voor dat de benadeelde daarbij per abuis is uitgegaan van een btw-tarief van 19 %, terwijl op de bijbehorende factuur een tarief van 21% staat. Het spuiten van de linker voorvelg heeft dus geen € 119,00 gekost, maar € 121,00. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een gevorderd bedrag van € 1.004,24.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de kosten met betrekking tot de vervanging van de voorruit redelijkerwijs als gevolg van de openlijke geweldpleging kunnen worden toegerekend. Nu de verdediging het causaal verband tussen de schade aan de vooruit en de openlijke geweldpleging gemotiveerd heeft betwist en die schade niet is geverbaliseerd, is nader debat en eventueel bewijsvoering nodig. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op de vervanging van de voorruit niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gaat daarbij om een bedrag van € 386,00 voor een nieuwe voorruit en van € 130,00 voor de (dé)montage (totaal incl. BTW € 624,36). De benadeelde partij kan zijn vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het overige deel van het gevorderde bedrag, groot € 379,88, zal worden toegewezen
Eigen risico
Er is een bedrag van € 388,65 gevorderd in verband met het eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023. Voor 2023 is hierin een bedrag van € 360,32 begrepen in verband met oogheelkunde. Voor deze kosten ontbreekt een verdere onderbouwing. Nu de verdediging het causaal verband tussen deze schade en de openlijke geweldpleging gemotiveerd heeft betwist, is nader debat en eventueel bewijsvoering nodig. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico over 2023 niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het gevorderde bedrag van € 28,33 voor het eigen risico over 2022 zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank gaat er daarbij op basis van het dossier en de schadeonderbouwing van uit dat er sprake was van letsel aan het hoofd van de benadeelde partij. Door dit letsel heeft hij pijn en ongemak ervaren. Daarnaast heeft de benadeelde partij ook psychische gevolgen ondervonden als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit.
De rechtbank stelt de omvang van de immateriële schade met betrekking tot het lichamelijke letsel naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering tot immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, omdat de noodzakelijke nadere onderbouwing van de psychische gevolgen en de gevolgen een onevenredige belasting van het strafproces is.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Zoals verzocht door de benadeelde partij en geadviseerd door de officier van justitie zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal over het toegewezen schadebedrag de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 10 december 2022.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een totaalbedrag van € 908,21 moet worden toegewezen, bestaande uit € 408,21 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 55, 77c, 77g, 77m, 77n, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 primair en onder 1 subsidiair ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde, voor zover dat bestaat uit de gedraging vermeld onder 5.3 het oordeel van de rechtbank onder a. op pagina 6 van dit vonnis niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
- verklaart het bewezen verklaarde voor het overige strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1 meer subsidiair:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
feit 2:openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;
feit 3:handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en
munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
40 (veertig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 908,21, waarvan € 408,21 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] , € 908,21 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 (nul) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mr. R. Combee en
mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 16 december 2025.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met dat opzet (meermalen) te schieten met een doorgeladen vuurwapen gericht op die
[slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] , althans te schieten met een doorgeladen vuurwapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet (meermalen) te schieten met een doorgeladen vuurwapen gericht op die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] , althans te schieten met een
doorgeladen vuurwapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena [slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meermalen) te schieten met een doorgeladen vuurwapen gericht op die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] , althans te schieten met een doorgeladen vuurwapen;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen openlijk, te weten aan de Distributiestraat te Giessen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten
[slachtoffer] en/of een goed van die [slachtoffer] , te weten een of meerdere autoruit(en) door
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met zijn vuist(en) en/of een wapenstok/ploertendoder, op zijn linkerarm en/of schouder en/of hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of
- met een wapenstok/ploertendoder, althans met enig voorwerp, op een of meerdere ruit(en) van de personenauto van die [slachtoffer] , te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een (doorgeladen) vuurwapen, gericht op die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of in de lucht, te schieten;
( art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3°, te weten wapenstok c.q. ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
( art 13 lid 1 Wet Pro wapens en munitie )