ECLI:NL:RBZWB:2025:8964

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
02-284526-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging en voorhanden hebben van een ploertendoder met geslaagd beroep op noodweer voor deel van de gedragingen

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en het voorhanden hebben van een ploertendoder. De feiten vonden plaats op 10 december 2022 in Giessen, waar de verdachte samen met medeverdachten een gewelddadige confrontatie zocht met het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een geslaagd beroep op noodweer voor een deel van de gedragingen, maar dat voor het andere deel geen sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Tevens werd een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij uitgesproken, waarbij de verdachte aansprakelijk werd gesteld voor de schade die het slachtoffer had geleden door het geweld.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-284526-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 december 2025
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 en 19 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. R. in ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De zaken tegen [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), parketnummer 02-323608-22,
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), parketnummer 02-323570-22, [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), parketnummer 02-323593-22 en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), parketnummer 02-284536-23 zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (hierna: [verdachte] ) op 10 december 2022 in Giessen
feit 1:openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en een goed, te weten de auto van [slachtoffer] ;
feit 2:een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de eerste twee gedachtestreepjes wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, maar dat ten aanzien van het derde gedachtestreepje geen sprake is geweest van een bijdrage aan het openlijk geweld waar zijn cliënt medeverantwoordelijk voor is.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt vast dat er op 10 december 2022 aan de Distributiestraat in Giessen een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij een groep van in totaal acht personen, waaronder verdachte en vier medeverdachten aanwezig zijn geweest. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is hiervan het slachtoffer geworden. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] een aantal klappen heeft gegeven. [slachtoffer] is daarnaast door anderen met vuisten en een ploertendoder tegen zijn hoofd en lichaam geslagen, terwijl hij nog in zijn auto zat. Hierdoor is aan hem letsel toegebracht, bestaande uit een lichte zwelling aan de linkerzijde van zijn hoofd. Ook is een ruit van de auto van [slachtoffer] met de ploertendoder ingeslagen en is er met een gaspistool in de richting van [slachtoffer] in de lucht geschoten.
Verdachte wordt verweten dat hij openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .
Voor een bewezenverklaring van openlijk geweld in vereniging, is onder andere vereist dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 9 december 2022 bij [medeverdachte 2] thuis het plan is gemaakt om [slachtoffer] aan te pakken. Met [slachtoffer] wordt afgesproken om 0:00 uur bij het tankstation in Giessen. Vervolgens zijn alle verdachten naar het voetbalveldje in Woudrichem gereden waar onder andere wapens zijn uitgewisseld tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . Op dat voetbalveldje hebben [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] nader besproken dat ze [slachtoffer] wilden insluiten en hem wilden slaan. Daarna hebben alle verdachten zich hebben verplaatst naar het tankstation in Giessen. Nadat [slachtoffer] met [naam] is weggereden, zijn de verdachten achter hem aangereden en is een achtervolging ontstaan.
Op het industrieterrein in Giessen is de auto van [slachtoffer] klemgereden, waarna [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] naar de auto van [slachtoffer] zijn gelopen. [medeverdachte 4] heeft de deur van de auto van [slachtoffer] opengemaakt en [slachtoffer] geslagen. Tegelijkertijd heeft [medeverdachte 3] [naam] uit de auto getrokken,. Vervolgens heeft [verdachte] met de ploertendoder de ruit van de bestuurdersportier van de auto van [slachtoffer] ingeslagen en wordt [slachtoffer] meerdere malen door [verdachte] en [medeverdachte 3] geslagen. Wanneer het slaan stopt, weet [slachtoffer] uit zijn auto te komen en rent hij weg. [medeverdachte 2] schiet dan een paar keer met een gaspistool in de lucht en ook in de lucht richting [slachtoffer] als hij over het grasveld wegvlucht. De verdachten zijn vervolgens allemaal naar een veldje bij Brakel gereden waar ze nog even hebben nagepraat.
Op grond van het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Tot slot heeft [verdachte] na zijn eigen slaan niet geprobeerd de anderen te weerhouden van het plegen van geweld. Integendeel, hij is op de plaats delict gebleven en is vervolgens samen met [naam] naar het veldje in Brakel gereden, waar de groep weer samenkwam. Gelet hierop kan wettig overtuigend bewezen worden dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.
Feit 2
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 10 december 2022 een ploertendoder voorhanden heeft gehad en heeft gedragen. Verdachte heeft dit feit bekend en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 10 december 2022 te Giessen openlijk, te weten aan de Distributiestraat te Giessen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten
[slachtoffer] en/of een goed van die [slachtoffer] , te weten een autoruit door
- die [slachtoffer] meermalen, met zijn vuisten en een ploertendoder, op zijn linkerarm en schouder en hoofd, te slaan en
- met een ploertendoder op een ruit van de personenauto van die [slachtoffer] te slaan en
- meermalen met een vuurwapen in de lucht en in de richting van die [slachtoffer] in de lucht te schieten,
terwijl hij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;
2
op 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena, een wapen, van categorie I, onder 1° of 3°, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Feit 1 Openlijke geweldpleging

5.1.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman komt aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe voor het geweld dat tegen [slachtoffer] en zijn auto is gebruikt voordat [naam] de auto had verlaten. Hij voert daartoe aan dat deze handelingen van verdachte en de medeverdachten een gevolg zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam] door [slachtoffer] , waartegen zij verdedigd mocht worden. [slachtoffer] was met [naam] weggereden en heeft erkend dat hij [naam] in de auto heeft geslagen. Voor het geweld dat verdachte heeft toegepast nadat [naam] de auto had verlaten was sprake van noodweerexces. Verdachte heeft verklaard dat hij bloed op [naam] ’s gezicht zag toen zij uit de auto kwam. Het letsel van [naam] leidde bij verdachte tot een hevige gemoedsbeweging, waardoor hij los is gegaan.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is voor het door [medeverdachte 4] toegepaste geweld voldoende aannemelijk geworden dat de noodweersituatie nog acuut was, omdat [naam] op dat moment nog in de auto van [slachtoffer] zat. Voor het door de overige verdachten daarna toegepaste geweld is een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk geworden.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) stelt de rechtbank op basis van het dossier en het onderzoek op zitting allereerst de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feiten en omstandighedenOp 9 december 2022 komen de vrienden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] samen in de woning van [medeverdachte 2] om een voetbalwedstrijd te kijken. [naam] hoort ook bij de vriendengroep en is ook aanwezig. De vriendengroep weet van de problemen van [naam] met haar ex-vriend [slachtoffer] , die [naam] volgens haar zeggen lastig blijft vallen. De vorige avond nog heeft [naam] geappt met [medeverdachte 3] dat ze 112 gaat bellen, omdat [slachtoffer] er weer is. [medeverdachte 3] reageert dat ze binnen moet blijven en als [naam] appt dat ze haar vader wakker gaat maken, reageert [medeverdachte 3] dat ze niemand wakker moet maken. Als [slachtoffer] naar de deur komt, komt [medeverdachte 3] namelijk gelijk en maakt hij hem kapot. Tot een confrontatie komt het die nacht niet.
Op 9 december 2022 iets voor 21:00 uur chat [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] : Na de wedstrijd gaan wij [slachtoffer] kapot slaan. Als [medeverdachte 2] reageert met ”Waar” chat [medeverdachte 3] dat ze (rechtbank: hem) eerst op zoeken, maar vanavond gaat hij kapot. Met de telefoon van [medeverdachte 1] bericht [medeverdachte 3] [slachtoffer] rond dezelfde tijd dat [naam] het straks wel uit wil praten met [slachtoffer] . Tijdens de wedstrijd zeggen [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] dat ze [slachtoffer] gaan slaan en pakken en zijn daar heel serieus over.
Na de wedstrijd rijdt de vriendengroep inclusief [naam] naar een voetbalveldje in Woudrichem waar [naam] via de telefoon van [medeverdachte 1] de concrete afspraak met [slachtoffer] maakt. Bij het voetbalveldje laten ze wapens aan elkaar zien en worden wapens gewisseld. [medeverdachte 2] geeft een ploertendoder aan [verdachte] en [verdachte] geeft een gaspistool aan [medeverdachte 2] . Op dat voetbalveldje hebben [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] nader besproken dat ze [slachtoffer] wilden insluiten en hem wilden slaan. Vervolgens rijden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (in de Golf 7 van [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] en [naam] (in de Golf 6 van [medeverdachte 3] ) en [verdachte] en [medeverdachte 4] (in de Lupo van [medeverdachte 4] ) naar de afgesproken ontmoetingsplek met [slachtoffer] : het tankstation in Giessen.
Bij het tankstation stapt [naam] bij [slachtoffer] in de auto, waarna [slachtoffer] meteen weg rijdt. Het is dan inmiddels 10 december 2022 00:09 uur. De drie auto’s met de vrienden rijden er meteen achteraan. Het was namelijk hun bedoeling dat [naam] met [slachtoffer] in zijn auto bij het tankstation zou blijven. Tijdens de daarop volgende achtervolging hebben [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] het meeste zicht op wat er in de auto van [slachtoffer] gebeurt, omdat de auto met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaandeweg wat achterop raakt.
[verdachte] en [medeverdachte 3] zien tijdens het rijden op enig moment een been van [naam] buiten de auto en [verdachte] ziet ook dat [naam] wordt geslagen door [slachtoffer] . Na ruim 10 minuten wordt [slachtoffer] op het industrieterrein van Giessen klemgereden met de auto van [medeverdachte 3] ervoor en de auto met [verdachte] en [medeverdachte 4] er achter. De auto van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komt wat later aan.
Na het klem rijden, loopt [medeverdachte 3] naar de bijrijderskant van de auto van [slachtoffer] en [verdachte] en [medeverdachte 4] naar de bestuurderskant. [slachtoffer] heeft op dat moment nog een arm om de keel van [naam] en [verdachte] ziet bloed bij haar lippen. [medeverdachte 4] opent het bestuurdersportier en slaat [slachtoffer] een paar keer en [medeverdachte 3] sleurt [naam] uit de auto om bij [slachtoffer] te komen. Die heeft ondertussen zijn deur dichtgedaan, waarna [verdachte] met een ploertendoder de ruit inslaat. Als [naam] al uit de auto is, gaan [medeverdachte 3] en [verdachte] [slachtoffer] meppen. [verdachte] met de ploertendoder en [medeverdachte 3] met zijn vuisten. [slachtoffer] doet niets terug. Na ongeveer 15 seconden stoppen [verdachte] en [medeverdachte 3] en stapt [slachtoffer] uit de auto. [medeverdachte 2] schiet dan een paar keer met een gaspistool in de lucht en als [slachtoffer] wegrent ook nog in de lucht in de richting van [slachtoffer] .
De vriendengroep inclusief [naam] rijdt dan naar Brakel en bij een veldje in Brakel praten ze nog wat na. [naam] wordt vervolgens door [medeverdachte 1] (met [medeverdachte 2] ) teruggebracht naar haar huis.
Strafbaarheid feit
Noodweer?Volgens vaste jurisprudentie is voor noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De situatie moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte, dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding als hiervoor bedoeld. De situatie moet dus een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan; er moet in de ogen van een derde of naar uiterlijke verschijningsvorm beschouwd sprake zijn van een onmiddellijke dreiging.
a.
Op het moment dat [naam] nog met [slachtoffer] in zijn tot stilstand gedwongen auto zit en [slachtoffer] een van zijn armen om haar keel heeft geklemd, is er naar het oordeel van de rechtbank nog sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen enig maar dan wel gepast geweld gebruikt mag worden. Voor dat openlijk geweld - de door [medeverdachte 4] uitgedeelde klappen - komt verdachte en zijn mededaders een geslaagd beroep op noodweer toe, waardoor dat geweld niet strafbaar is. Daarvoor zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
b.
Vanaf het moment dat [naam] uit de auto van [slachtoffer] is, is er echter geen sprake meer van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Over een toen nog dreigend gevaar voor een (verdere) aanranding heeft geen van de vrienden verklaard en daarvan is ook overigens niet gebleken. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het toen nog gevolgd geweld uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Strafbaarheid verdachte
Noodweerexces?Volgens vaste jurisprudentie is voor een geslaagd beroep op noodweerexces na beëindiging van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding vereist dat de noodzaak tot verdediging er wel was geweest (maar niet meer bestond), maar de gedragingen niettemin het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Aan het gevolgvereiste is echter niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier het geval.
De reeds bestaande kwaadheid van [medeverdachte 3] richting [slachtoffer] blijkt overduidelijk uit zijn appberichtjes naar [naam] de avond van 8 december 2022 en wordt bevestigd door zijn chat met [medeverdachte 2] op 9 december 2022 rond 21:00 uur. Dat die kwaadheid wordt gedeeld door [medeverdachte 2] blijkt uit zijn reactie. Hij neemt er namelijk geen afstand van en probeert [medeverdachte 3] ook niet op andere gedachten te brengen, maar vraagt simpelweg: “Waar.” Dat ook [verdachte] en [medeverdachte 4] al kwaad waren op [slachtoffer] volgt uit hun gesprek met [medeverdachte 3] tijdens de wedstrijd, waarin ze serieus bespreken dat ze [slachtoffer] gaan slaan en pakken. Dit voornemen wordt nog concreter besproken bij een voetbalveldje in Woudrichem. Ze zijn zelfs zo kwaad dat twee van de vier - [verdachte] en [medeverdachte 2] - een wapen meenemen naar de ontmoeting (van [naam] ) met [slachtoffer] . Daarom slaagt het beroep op noodweerexces niet en zijn verdachte en zijn mededaders strafbaar. Er is ook overigens niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Feit 2
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Er is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de ouderdom van de zaak en wijst in dat kader op de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en bij een eventuele veroordeling te volstaan met oplegging van een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst en de aard van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte is op
10 december 2022 met een groep vrienden naar het tankstation in Giessen gereden waar was afgesproken met het slachtoffer, vervolgens heeft er een achtervolging plaatsgevonden en werd het slachtoffer ingesloten, waarna openlijk geweld is gepleegd. Er was sprake van fors geweld. Het slachtoffer werd meermalen geslagen, waaronder met een ploertendoder en er werd met een gaspistool in de richting van het slachtoffer in de lucht geschoten. Daarnaast is ook de ruit van de auto van het slachtoffer ingeslagen met de ploertendoder. Het slachtoffer heeft pijn en letsel aan dit geweld overgehouden. Hij had negen dagen later nog een lichte zwelling aan de linkerzijde van zijn hoofd.
Door het meedoen aan de openlijke geweldpleging heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de veiligheidsgevoelens van het slachtoffer. Dergelijk geweld, gepleegd op de openbare weg, maakt een grove inbreuk op de rechtsorde en brengt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De rechtbank overweegt daarnaast dat het te hulp schieten van een vriendin niet als excuus mag worden gebruikt om de reeds bestaande woede tegen een bepaald persoon te botvieren. Geweld is niet de manier om eventuele problemen van een vriendin op te lossen, laat staan met de mate van het door de verdachten toegepaste geweld.
Daarnaast heeft verdachte op 10 december 2022 een wapen in de zin van categorie I van de Wet Wapens en Munitie voorhanden gehad en gedragen, te weten een ploertendoder. Het ongecontroleerde bezit van dat soort wapens brengt onaanvaardbare risico’s met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving, helemaal omdat dergelijke wapens vaak worden gebruikt bij het plegen van andere strafbare feiten, zoals hier ook is gebeurd.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan door vanaf zijn aanhouding daarover open te verklaren. Dat spreekt in zijn voordeel. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 6 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van
4 november 2025. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte leeftijdsadequaat overkomt. Bij een veroordeling kan worden volstaan met een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en toezicht zijn niet nodig.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank overweegt dat verdachte op 12 december 2022 in verzekering is gesteld en zij 16 december 2025 eindvonnis wijst. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal deze overschrijding in het voordeel van verdachte betrekken bij het bepalen van de strafmaat.
De op te leggen straf
Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is voor het plegen van openlijk geweld tegen personen met lichamelijk letsel als gevolg het oriëntatiepunt een taakstraf van 150 uur en voor het voorhanden hebben van een ploertendoder een geldboete van € 200,00. De rechtbank weegt in strafvermeerderende zin mee dat verdachte de ploertendoder heeft gebruikt bij het openlijk geweld tegen het slachtoffer.
Verder vindt de rechtbank het verontrustend dat verdachte op zitting geen afstand heeft genomen van het kwalijke van zijn handelen. Hij heeft op zitting gezegd een volgende keer opnieuw op deze wijze te handelen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte ervan te doordringen dat dit niet de bedoeling is.
Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 150 uur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar.

7.De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.394,89(vul bedrag in terzake van materiële schade) aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,00(vul de te bewaren goederen in) aan immateriële schade.
De gestelde materiële schade bestaat uit:
  • Reparatiekosten auto: € 1.006,24;
  • Eigen risico zorgverzekering over 2022 en 2023: € 388,65.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Reparatiekosten auto
Allereerst merkt de rechtbank op dat de gevorderde kosten volgens de toelichting zien op de reparatiekosten van de auto minus de kosten voor het spuiten van de linker voorvelg. De rechtbank houdt het er voor dat de benadeelde daarbij per abuis is uitgegaan van een btw-tarief van 19 %, terwijl op de bijbehorende factuur een tarief van 21% staat. Het spuiten van de linker voorvelg heeft dus geen € 119,00 gekost, maar € 121,00. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een gevorderd bedrag van € 1.004,24.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de kosten met betrekking tot de vervanging van de voorruit redelijkerwijs als gevolg van de openlijke geweldpleging kunnen worden toegerekend. Nu de verdediging het causaal verband tussen de schade aan de vooruit en de openlijke geweldpleging gemotiveerd heeft betwist en die schade niet is geverbaliseerd, is nader debat en eventueel bewijsvoering nodig. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op de vervanging van de voorruit niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gaat daarbij om een bedrag van € 386,00 voor een nieuwe voorruit en van € 130,00 voor de (dé)montage (totaal incl. BTW € 624,36). De benadeelde partij kan zijn vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het overige deel van het gevorderde bedrag, groot € 379,88, zal worden toegewezen
Eigen risico
Er is een bedrag van € 388,65 gevorderd in verband met het eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023. Voor 2023 is hierin een bedrag van € 360,32 begrepen in verband met oogheelkunde. Voor deze kosten ontbreekt een verdere onderbouwing. Nu de verdediging het causaal verband tussen deze schade en de openlijke geweldpleging gemotiveerd heeft betwist, is nader debat en eventueel bewijsvoering nodig. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico over 2023 niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het gevorderde bedrag van € 28,33 voor het eigen risico over 2022 zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank gaat er daarbij op basis van het dossier en de schadeonderbouwing van uit dat er sprake was van letsel aan het hoofd van de benadeelde partij. Door dit letsel heeft hij pijn en ongemak ervaren. Daarnaast heeft de benadeelde partij ook psychische gevolgen ondervonden als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit.
De rechtbank stelt de omvang van de immateriële schade met betrekking tot het lichamelijke letsel naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering tot immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, omdat de noodzakelijke nadere onderbouwing van de psychische gevolgen en de gevolgen een onevenredige belasting van het strafproces is.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Zoals verzocht door de benadeelde partij en geadviseerd door de officier van justitie zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal over het toegewezen schadebedrag de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 10 december 2022.
Culpa in causa
De verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer] minimaal 50% medeschuld heeft, omdat hij [naam] tegen haar wil in heeft meegenomen in zijn auto en heeft verwond. Om [naam] uit deze situatie te bevrijden moest verdachte het geweld uitoefenen op [slachtoffer] en zijn auto, waardoor de schade is ontstaan.
Bij beantwoording van de vraag of en in hoeverre, eigen schuld van het slachtoffer in de zin van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht, is het van belang voor ogen te houden dat eerst een causaliteitsafweging plaats dient te vinden. Er moet worden beoordeeld in welke mate de gedragingen van het slachtoffer en die van de dader aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Bij die afweging speelt de mate van verwijtbaarheid geen rol. In het geval er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde is het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke persoon wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen.
De rechtbank heeft het beroep van de verdediging op noodweer(exces) hiervoor reeds verworpen en daarbij overwogen dat verdachte de autoruit heeft vernield en hij [slachtoffer] heeft geslagen op het moment dat [naam] al uit de auto was. Omdat verdachte heeft geslagen nadat de noodweersituatie voorbij was, komt de rechtbank niet toe aan eigen schuld van [slachtoffer] . De rechtbank is, met inachtneming van het voorgaande, van oordeel dat de schade uitsluitend is ontstaan door de gedraging van verdachte en zijn mededaders.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een totaalbedrag van € 908,21 moet worden toegewezen, bestaande uit € 408,21 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde, voor zover dat bestaat uit de gedraging vermeld onder 5.3 het oordeel van de rechtbank onder a. op pagina 5 van dit vonnis niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
- verklaart het bewezen verklaarde voor het overige strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;
feit 2:handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en
munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
75 (vijfenzeventig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 1 (één) maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 908,21, waarvan € 408,21 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] , € 908,21 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 18 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mr. R. Combee en
mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 16 december 2025.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen openlijk, te weten aan de Distributiestraat te Giessen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten
[slachtoffer] en/of een goed van die [slachtoffer] , te weten een of meerdere autoruit(en) door
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met zijn vuist(en) en/of een wapenstok/ploertendoder, op zijn linkerarm en/of schouder en/of hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of
- met een wapenstok/ploertendoder, althans met enig voorwerp, op een of meerdere ruit(en) van de personenauto van die [slachtoffer] , te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een (doorgeladen) vuurwapen, gericht op die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of in de lucht, te schieten
terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Giessen, gemeente Altena een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3°, te weten wapenstok c.q. ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )