Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en reconventie
- [straat 1] (straat [basisschool] );
- [straat 2] (straat woning van de vrouw);
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind. In een eerder kort geding was een zorgregeling vastgesteld voor omgang tussen de vader en het kind. De moeder vordert nu in kort geding de omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen en een straatverbod voor de vader, vanwege ernstige zorgen over zijn psychische gesteldheid en veiligheid van het kind.
De vader verzet zich tegen deze vorderingen en vordert tevens dat de moeder de zorgregeling naleeft en dat het kind onder toezicht wordt gesteld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dat het kind onder toezicht moet worden gesteld vanwege de ernstige ouderstrijd en bedreiging van de ontwikkeling van het kind.
De voorzieningenrechter overweegt dat de omgang sinds februari 2024 stil ligt en dat de situatie verslechterd is. De Raad en partijen stemmen in met ondertoezichtstelling van het kind voor een jaar bij een gecertificeerde instelling. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van de moeder tot ontzegging van omgang en straatverbod af wegens onvoldoende aannemelijkheid. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot ontzegging omgang en straatverbod af en stelt het kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling.