Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“Een vrijstaand gebouw ten dienste van en behorende bij het hoofdgebouw bestaande uit maximaal één bouwlaag, dat zowel qua bouwmassa als verschijningsvorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.”. Eén van de vereisten om te kunnen spreken van een bijgebouw in de zin van deze definitiebepaling is dus dat het bouwdeel vrijstaand is. Daarvan is op het perceel geen sprake. Het college heeft tijdens de zitting erkend dat op enig moment in het verleden een aanbouw is vergund aan het al bestaande voorste deel van het gebouw. In die aanbouw zijn de extra wooneenheden gerealiseerd. Er is dus sprake van één hoofdgebouw en niet van een vrijstaand bijgebouw. Oorspronkelijk was het mogelijk om in dit hoofdgebouw binnendoor volledig van voren naar achteren door te lopen. Dat inmiddels op verschillende plaatsen tussendeuren zijn geplaatst (die vervolgens deels onbruikbaar zijn gemaakt), maakt het deel van het gebouw dat op het achtererf ligt echter geen bijgebouw, omdat het niet vrijstaand is. Het college heeft tijdens de zitting nog aangehaald dat in artikel 5.5.1 van de planregels het woord vrijstaand tussen haakjes is geplaatst, zodat ‘vrijstaand’ geen doorslaggevend vereiste is. Deze mogelijke tegenstrijdigheid binnen de planregels mag naar het oordeel van de rechtbank echter niet in het nadeel van eiser worden uitgelegd.