ECLI:NL:RBZWB:2025:9025
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond in civiele procedure
Op 12 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker in een civiele procedure. Het verzoek tot wraking was ingediend op 10 december 2025 en was gericht tegen mr. [voorletters] Haerkens-Wouters, die als familierechter optrad in de hoofdzaak met procedurenummer C/02/437096 / FA RK 25/3328. De verzoeker stelde dat de rechter de zitting op 11 december 2025 niet had verdaagd, ondanks zijn verzoeken daartoe, en dat dit hem belemmerde in zijn voorbereiding. Tevens werd gesteld dat de rechtbank in het verleden te veel achter de standpunten van de moeder, de wederpartij, zou hebben gestaan.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de mogelijkheid biedt om een rechter te wraken op basis van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar kunnen brengen. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen dat er sprake is van vooringenomenheid.
Na beoordeling van de aangevoerde gronden concludeerde de wrakingskamer dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor een schijn van vooringenomenheid. De beslissing van de rechter om de zitting niet te verdagen werd gekwalificeerd als een procesbeslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel kon vellen. Het verzoek tot wraking werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard, en de behandeling van de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.