ECLI:NL:RBZWB:2025:9025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/02/442864 HA RK 25-269 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond in civiele procedure

Op 12 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker in een civiele procedure. Het verzoek tot wraking was ingediend op 10 december 2025 en was gericht tegen mr. [voorletters] Haerkens-Wouters, die als familierechter optrad in de hoofdzaak met procedurenummer C/02/437096 / FA RK 25/3328. De verzoeker stelde dat de rechter de zitting op 11 december 2025 niet had verdaagd, ondanks zijn verzoeken daartoe, en dat dit hem belemmerde in zijn voorbereiding. Tevens werd gesteld dat de rechtbank in het verleden te veel achter de standpunten van de moeder, de wederpartij, zou hebben gestaan.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de mogelijkheid biedt om een rechter te wraken op basis van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar kunnen brengen. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen dat er sprake is van vooringenomenheid.

Na beoordeling van de aangevoerde gronden concludeerde de wrakingskamer dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor een schijn van vooringenomenheid. De beslissing van de rechter om de zitting niet te verdagen werd gekwalificeerd als een procesbeslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel kon vellen. Het verzoek tot wraking werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard, en de behandeling van de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/442864 HA RK 25-269
beslissing van 12 december 2025 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker],
verzoeker.

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met procedurenummer C/02/437096 / FA RK 25/3328,
 het wrakingsverzoek van 10 december 2025,
 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 11 december 2025 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters] Haerkens-Wouters (hierna: de rechter), optredend als familierechter in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 10 december 2025.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de zitting in de hoofdzaak van 11 december 2025, 10:00 uur, niet heeft verdaagd ondanks zijn verzoeken daartoe. Volgens verzoeker wordt hij daardoor niet in de gelegenheid gesteld om goed voorbereid naar de zitting te komen. Ook stelt verzoeker dat het verleden laat zien dat de rechtbank blind achter de standpunten van de moeder (de wederpartij in de hoofdzaak) gaat staan.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.3
Verzoeker schrijft in zijn wrakingsverzoek dat hij “de rechtbank” wraakt. Wraking van de rechtbank als geheel is echter niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant per 1 april 2021. Uit het procesdossier van de hoofdzaak volgt echter dat verzoeker een oproepbrief heeft ontvangen waarin staat vermeld dat de rechter de hoofdzaak behandelt. De wrakingskamer gaat er daarom vanuit dat verzoeker beoogt de rechter te wraken.
4.4
De beslissing van de rechter om de zitting in de hoofdzaak niet te verdagen, betreft een procesbeslissing. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, kan de wrakingskamer niet oordelen over de juistheid van een procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel zoals hoger beroep kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
4.5
Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak niet gebleken. Op 25 juli 2025 is er aan verzoeker een oproepbrief verstuurd voor de zitting van 11 december 2025, zowel per aangetekende post als per gewone post, naar het adres waarop hij in de BRP is ingeschreven. De per aangetekende post verzonden brief is retour gekomen omdat deze niet is opgehaald, de per gewone post verzonden brief is niet retour gekomen. Op 19 november 2025 is de oproepbrief op verzoek van verzoeker tevens per e-mail aan hem toegezonden. Hoewel verzoeker op 19 november 2025 heeft gemeld dat hij bij de zitting aanwezig zal zijn, heeft hij op 3 december 2025 verzocht om de zitting uit te stellen. Op 4 december 2025 is aan verzoeker gemeld dat de zitting doorgang zal vinden. Vervolgens heeft verzoeker op 8 december 2025 opnieuw een uitstelverzoek gedaan. Daarop is op 9 december 2025 aan verzoeker meegedeeld dat er niet alsnog aanleiding wordt gezien om de zitting uit te stellen, en dat de door hem in het uitstelverzoek genoemde omstandigheden op de zitting kunnen worden besproken. Vervolgens heeft verzoeker op 9 december 2025 een derde uitstelverzoek gedaan. Dat verzoek is op diezelfde dag afgewezen omdat het niet is voorzien van nieuwe of aanvullende redenen. Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is. Daarnaast kunnen zaken uit het verleden, nog los van de vraag of deze ook door de rechter zijn behandeld, geen grond zijn voor wraking. Alleen als een rechter in een zaak die hij of zij op dat moment in behandeling heeft blijk zou geven van (de schijn van) vooringenomenheid, kan er grond zijn voor wraking.
4.6
De wrakingskamer is van oordeel dat niet gebleken is van zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake is van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook kennelijk ongegrond verklaren. Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met procedurenummer C/02/437096 / FA RK 25/3328 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 12 december 2025 door mr. ing. Th. Peters, rechter en voorzitter, en mr. M.D.E. Leppens en mr. M. Breeman, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing mede te ondertekenen.
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.