ECLI:NL:RBZWB:2025:9032

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
02-228192-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorhanden hebben van vuurwapens met betrekking tot artikel 26 WWM

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 26 augustus 2025 in Ritthem vijf vuurwapens voorhanden had. De verdachte, geboren in 1982 en thans gedetineerd, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. van de Rakt. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 5 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging, die als bijlage aan het vonnis was gehecht, betrof het voorhanden hebben van vuurwapens in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM). De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking van de auto van de verdachte rechtmatig was, omdat de verbalisanten op basis van de omstandigheden toestemming hadden gekregen van de medeverdachte om de auto te doorzoeken. Tijdens deze doorzoeking werd een vuurwapen aangetroffen in een tas die de verdachte bij zich had, en vier andere vuurwapens werden later in zijn woning gevonden. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat er sprake was van een vormverzuim, en achtte het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest, en sprak de verdachte vrij van andere tenlastegelegde feiten. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-228192-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsvrouw: mr. E. van de Rakt, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte vuurwapens voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft één wapen voorhanden gehad in een plastic tas die hij bij zich droeg. De andere vier vuurwapens zijn aangetroffen in zijn woning. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de auto op rechtmatige wijze is doorzocht. Het daaruit verkregen materiaal kan daarom worden gebruikt voor het bewijs. Van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is geen sprake.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een rechtmatige doorzoeking van de zich in de auto bevindende tas van verdachte, hetgeen een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Er is zonder geldige toestemming een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. De doorzoeking van de auto was uitsluitend gericht op het openen van de tas van verdachte, zodoende kon alleen hij toestemming geven voor het openen daarvan. Toestemming van de bestuurder van de auto kan niet worden gebruikt om een voorwerp van een ander te doorzoeken. Het aantreffen van het wapen in de tas die voor de bijrijdersstoel stond en de daaropvolgende doorzoeking van de woning van verdachte, waarbij de overige wapens werden aangetroffen, kunnen dus niet worden gebezigd voor het bewijs, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verder geldt dat bewijsuitsluiting eveneens dient te volgen op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs levert een schending van het recht op een eerlijk proces op.
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, wordt voorwaardelijk verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen. Ondervraging van deze getuigen is noodzakelijk voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de doorzoeking.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Rechtmatigheid doorzoeking auto
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verbalisanten op 26 augustus 2025 in Ritthem een uit Amersfoort afkomstige auto in een doodlopende straat – nabij een volkstuinencomplex – zien staan. Bij deze auto zien zij een man (hierna: de medeverdachte) gehurkt zitten, waarvan zij vermoeden dat hij op de uitkijk zit. Vervolgens zien zij dat er een tweede man, naar later blijkt verdachte, door een poort van een volkstuintje komt lopen. De poort van dit volkstuintje was afgeschermd met een zwart grondzeil en boven de poort hing een bordje met onder andere een afbeelding van een wiet-blaadje. Bij het verlaten van het volkstuintje houdt verdachte een zwarte tas tegen zijn borst geklemd en kijkt hij spichtig om zich heen. Hij loopt vervolgens naar de auto en stapt in als bijrijder. De medeverdachte stapt in als bestuurder. Wanneer verdachte en medeverdachte willen vertrekken, besluiten de verbalisanten om hen te controleren. Gezien wordt dat tussen de benen van verdachte de zwarte tas staat. Uit het politiesysteem volgt dan dat verdachte registraties op basis van de Wet wapens en munitie heeft en de medeverdachte blijkt een registratie met betrekking tot hennep te hebben. Voorgaande omstandigheden in samenhang bezien geeft de verbalisanten aanleiding om, na toestemming van de medeverdachte, de auto te controleren. Voor de bijrijdersstoel wordt in de zwarte tas een blauwe tas aangetroffen met daarin een vuurwapen. Omdat dit vuurwapen is aangetroffen, is ook de woning van verdachte doorzocht. Tijdens die doorzoeking zijn nog vier andere vuurwapens aangetroffen.
De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtmatig gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid tot het doorzoeken van de auto. Die bevoegdheid is allereerst terecht gebaseerd op de gegeven toestemming door de medeverdachte. De rechtbank merkt hierbij op dat de gegeven toestemming tot doorzoeking van de auto ongeclausuleerd is en mede daarom tevens omvat de doorzoeking van voorwerpen die zich in deze auto bevinden, zoals de tas waarin het vuurwapen uiteindelijk is aangetroffen. Op het moment van het doorzoeken van de tas was niet bekend wie de eigenaar van de tas was, zodat het verweer van de raadsvrouw dat verdachte toestemming had moeten geven om de tas te doorzoeken, wordt verworpen. Los van de gegeven toestemming bestond ook een bevoegdheid tot doorzoeking op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv en artikel 9 van de Opiumwet. De doorzoeking van de tas was dus rechtmatig, zodat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Daarbij merkt de rechtbank op dat zelfs indien sprake zou zijn geweest van een vormverzuim, dit niet zonder meer zou leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.
Gezien de vaststelling dat sprake was van een rechtmatige doorzoeking van de zich in de auto bevindende tas, wordt ook verworpen het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een eerlijk proces ex artikel 6 van het EVRM.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de verdediging stelt de rechtbank vast dat de aanloop tot de doorzoeking niet wordt betwist en de noodzaak tot het horen van de verbalisanten niet is onderbouwd. De rechtbank wijst de verzoeken tot het horen van de getuigen dan ook af.
Voorhanden hebben van de vuurwapens
Nu verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 26 augustus 2025 te Ritthem, gemeente Vlissingen en Vlissingen
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool, van het merk Skorpion, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en
- drie wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten (telkens) een pistool, van het merk BBM, type (nog) onbekend, kaliber (nog) onbekend en
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk S&W, type (nog) onbekend, kaliber 9mm
zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver of pistool voorhanden heeft gehad;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en verzoekt om aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft vijf vuurwapens voorhanden gehad, waarvan één automatisch vuurwapen. Vier vuurwapens zijn aangetroffen in de woning van verdachte en één vuurwapen had hij bij zich ten tijde van zijn aanhouding. De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit. Het ongecontroleerde bezit van wapens (en munitie) brengt immers een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, te meer wanneer er een automatisch vuurwapen in het geding is. Vuurwapenbezit brengt daarnaast gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 oktober 2025 waaruit blijkt dat hij in het verleden is veroordeeld voor het overtreden van de Wet wapens en munitie, maar de rechtbank constateert ook dat dit al bijna 20 jaar geleden is.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur de enige juiste strafrechtelijke sanctie is. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om een taakstraf aan verdachte op te leggen gelet op de ernst van het feit. Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van één vuurwapen in een openbare ruimte. Voor het voorhanden hebben van één vuurwapen in een woning geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Verdachte had niet één, maar vijf vuurwapens voorhanden. Alles afwegende zal de rechtbank daarom een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen met aftrek van het voorarrest.
Voorts ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, nu verdachte met het opleggen van de genoemde gevangenisstraf voldoende is gewaarschuwd om in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7.Het beslag

Gelet op de door verdachte gedane afstandsverklaring ter zitting zal de rechtbank geen beslissing nemen op het beslag.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en vuurwapens van categorie III, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 18 december 2025.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Ritthem, gemeente Vlissingen en/of
Vlissingen, in elk geval in Nederland,
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
machinepistool, van het merk Skorpion, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen
geschikt om automatisch te vuren en/of
- drie wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
(telkens) een pistool, van het merk BBM, type (nog) onbekend, kaliber (nog)
onbekend en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
pistool, van het merk S&W, type (nog) onbekend, kaliber 9mm
zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)