ECLI:NL:RBZWB:2025:9035
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.019 opgelegd door de inspecteur, die ook belastingrente in rekening bracht. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de aanslag en de toepassing van de herleidings- en afschrijvingsmethode.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat de naheffingsaanslag terecht en correct is vastgesteld. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de taxatiemethode niet toepasbaar is. De koerslijstmethode is daarom van toepassing, met een vastgestelde handelsinkoopwaarde van €49.339 en een verschuldigde BPM van €11.759.
Verder is het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat geen sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn voor afhandeling van het bezwaar met negen maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en de rest voor de Staat komt.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van deze schadevergoeding en proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €1.000 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.