ECLI:NL:RBZWB:2025:9047

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/2828
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 5:1 AwbArt. 22.1 OwArt. 6.1.3 OmgevingsplanArt. 6.5.1 Omgevingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom onterecht opgelegd wegens ontbreken overtreding omgevingsplan

Eiseres exploiteert een bakkerijwinkel met een achterterrein dat zij verhuurde aan een autohandelaar. Het college legde een last onder dwangsom op wegens vermeende overtreding van het omgevingsplan door het gebruik van het terrein voor een tweede bedrijf en het functioneren van een bijgebouw als tweede hoofdgebouw.

Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank vast dat het college ten onrechte een overtreding baseerde op de opslag van auto’s zonder dat sprake was van een daadwerkelijke overtreding van het omgevingsplan. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat er geen autohandel plaatsvond, waardoor de last onder dwangsom niet gerechtvaardigd was.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres. Het beroep werd gegrond verklaard, waarmee eiseres in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de last onder dwangsom wegens ontbreken van overtreding en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] BV, uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. de Roo),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegde last onder dwangsom vanwege de opslag van auto’s op het perceel [adres] in strijd met het omgevingsplan. Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd omdat geen sprake was van een overtreding van het omgevingsplan. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van een last onder dwangsom gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen [persoon 1] en de gemachtigde van eiseres. Namens het college verschenen mr. [persoon 2] en [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiseres is eigenaresse van het perceel [adres] en exploiteert daar een bakkerijwinkel. Achter de winkel ligt een bestraat achterterrein met een bijgebouw. Eiseres verhuurde dat achterterrein met bijgebouw aan [bedrijf] .
3.1.
Op 19 oktober 2023 ontving het college een melding over het bestaan van een garagebedrijf op het achterterrein. Het college heeft op 22 februari 2024 en 23 mei 2024 toezichtcontroles uitgevoerd. Uit deze controles bleek dat het achterterrein werd gebruikt voor activiteiten van [bedrijf] .
3.2.
Bij besluit van 10 juli 2024 (primair besluit) heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd omdat een tweede bedrijf op het perceel [adres] niet is toegestaan. Ook functioneert het bijgebouw op het achterterrein volgens het college als tweede hoofdgebouw, terwijl dat gebouw niet op een bouwvlak staat. Deze beide overtredingen kunnen worden beëindigd door de activiteiten als autogaragebedrijf te staken. Als de overtredingen niet worden beëindigd, verbeurt eiseres een dwangsom van € 1.500,00 per week, met een maximum van € 7.500,00.
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft de verhuur van het achterterrein aan [bedrijf] voorafgaand aan de hoorzitting beëindigd en [bedrijf] heeft het perceel verlaten.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten, maar deze gebaseerd op de opslag van auto’s op het achterterrein in strijd met het omgevingsplan. De in het primaire besluit gestelde overtredingen liggen niet langer ten grondslag aan de last onder dwangsom omdat dat geen overtredingen zijn.
Wettelijk kader
4. De voor deze uitspraak relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Invoeringswet Ow) in werking getreden. In deze zaak is een last onder dwangsom opgelegd op 10 juli 2024, zodat de Ow van toepassing is.
4.2.
Het omgevingsplan van de gemeente Tilburg bestaat onder andere uit ‘een tijdelijk deel’ [1] . Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door:
1. de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op het perceel van toepassing was [2] : het bestemmingsplan ‘Udenhout beschermd dorpsgezicht’;
2. de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat) [3] , die staan opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
4.3.
Het perceel kent in het bestemmingsplan ‘Udenhout beschermd dorpsgezicht’ – dat dus onderdeel is van het omgevingsplan – de bestemming “Gemengd-Dorps”.
Inhoudelijke beoordeling
5. Tijdens de zitting heeft het college het in het verweerschrift ingenomen standpunt verlaten dat eiseres geen procesbelang zou hebben bij beoordeling van het beroep. Omdat ook de rechtbank niet twijfelt aan het procesbelang, gaat zij over tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
6. Eiseres heeft kort samengevat aangevoerd dat het college in bezwaar geen andere overtreding aan de last ten grondslag mag leggen dan in het primaire besluit. Ook was geen sprake van een overtreding omdat het stallen en parkeren van auto’s op grond van artikel 6.1.3 van het omgevingsplan is toegestaan. Daarnaast is de tekst van de last onvoldoende duidelijk en is handhaven onevenredig.
Was er sprake van een overtreding?
7. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of sprake was van een overtreding van het omgevingsplan. Uit de toelichting van het college op de zitting blijkt dat de overtreding volgens het college bestond uit de opslag van auto’s op het terrein, zonder dat ter plaatse daadwerkelijk sprake was van een autohandel/autobedrijf. Dat is in strijd met artikel 6.5.1 aanhef en onder e van het omgevingsplan. Als de auto’s daar hadden gestaan als verkoopwaar van een daar operationele autohandel, zou volgens het college geen sprake zijn geweest van een overtreding. Het standpunt dat alleen sprake was van opslag van auto’s, baseert het college op het controlerapport van 28 februari 2024 dat ziet op de controle van 22 februari 2024 en op het verslag van de hoorzitting. Uit het controlerapport zou blijken dat slechts een zeer kleine kantoorfunctie aanwezig was, zodat geen sprake kan zijn van een volwaardige autohandel.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling van het college het bestreden besluit niet dragen. Het enkele feit dat de kantoorfunctie klein in omvang is, betekent immers niet dat op het perceel geen daadwerkelijke handel in auto’s plaatsvindt. De opsteller van het controlerapport schrijft ook nergens dat er twijfel is over het daar drijven van een autohandel. Hij heeft het zelfs expliciet over de aanwezigheid van een autohandel en op één van de foto’s is te zien dat het raam van het kantoor duidelijk zichtbaar is bestickerd met het bedrijfslogo van [bedrijf] . Op de foto’s die zijn gemaakt tijdens een volgende controle op 23 mei 2024 zijn aan de buitenzijde van het hekwerk ook de reclamevlaggen van [bedrijf] te zien. Ook voor potentiële klachten was dus zichtbaar dat daar een autohandel gevestigd was. Voor de conclusie dat een autohandel wordt geëxploiteerd is, anders dan het college tijdens de zitting suggereerde, ook geen showroom of een nette ontvangstruimte voor klanten nodig.
Ook in het verslag van de hoorzitting leest de rechtbank niet dat slechts sprake zou zijn van de opslag van auto’s, in plaats van een autohandel. Desgevraagd kon het college tijdens de zitting niet duidelijk maken waar dit in het verslag zou staan.
7.2.
Dat slechts sprake was van een opslag van auto’s, in plaats van een toegestane autohandel, heeft het college dus niet onderbouwd. Nu daardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een overtreding van artikel 6.5.1, aanhef en onder e van het omgevingsplan, was het college dus niet bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
7.3.
De beroepsgrond dat geen sprake was van een overtreding, slaagt dus. Om die reden komt de rechtbank ook niet meer toe aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het college niet bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Ook neemt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing door het primaire besluit te herroepen.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt in de beroepsfase € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voor de bezwaarfase wordt een vergoeding van € 1.294,- toegekend, omdat de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend en aan de hoorzitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 9 april 2025;
  • herroept het besluit van 10 juli 2024;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.294,- aan proceskosten in bezwaar aan eiseres;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten in beroep aan eiseres.
Deze uitspraak is op 18 december 2025 gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Omgevingswet
Artikel 5.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
Bijlage bij artikel 1.1, A. Begrippen
omgevingsplanactiviteit:activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Planregels bestemmingsplan ‘Udenhout beschermd dorpsgezicht’
Artikel 6.1.1
De voor ´Gemengd-Dorps´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten
(…)
Artikel 6.1.3
De voor Gemengd-Dorps´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:
(…)
parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
(…)
voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 6.1.1 en 6.1.2 genoemde functies.
Artikel 6.5.1
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Gemengd-Dorps´, wordt in elk geval gerekend:
(…)
opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
(…)

Voetnoten

1.Artikel 22.1 van de Ow.
2.Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.
3.Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow.