Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015, gericht op een aangepaste auto geschikt voor liggend vervoer vanwege haar beperkingen in zitten. Het dagelijks bestuur van de Bevelanden wees de aanvraag af, stellende dat vergoeding voor aanschaf van een auto niet mogelijk is en dat de regionale vervoersbehoefte onvoldoende is aangetoond.
De rechtbank constateert dat het bestuur de regionale vervoersbehoefte onvoldoende heeft onderzocht en dat onduidelijkheid bestaat over de precieze wijze van vervoer (liggend of half liggend). Medische adviezen geven aan dat liggend vervoer noodzakelijk is, terwijl in de praktijk sprake was van half liggend vervoer zonder matras.
De rechtbank beveelt nader onderzoek aan naar de vervoersbehoefte, de medische noodzaak van liggend vervoer, de technische mogelijkheden van autostoelen en de inzet van regiotaxi. Het bestuur krijgt zes weken om het gebrek te herstellen en moet binnen twee weken aangeven of het hiervan gebruik maakt. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.