ECLI:NL:RBZWB:2025:9063

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/5522
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake handhaving gebruik woning voor zorgdoeleinden

Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis en verzoeksters, [verzoeker 1] en Maatschap [verzoeker 2]. De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom die aan [verzoeker 1] was opgelegd wegens het gebruik van een woning in [plaats 2] voor zorgdoeleinden, wat in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. Verzoeksters waren het niet eens met de handhaving en vroegen om meer tijd voor het vinden van alternatieve opvang voor de kinderen die in de woning verbleven. De voorzieningenrechter oordeelde dat de situatie wezenlijk was veranderd sinds de last onder dwangsom was opgelegd, en dat de belangen van de kinderen in de woning niet voldoende waren meegewogen in de eerdere besluitvorming. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de last onder dwangsom geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeksters.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5522

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 in de zaak tussen

1. [verzoeker 1], uit [plaats 1] ,
2. Maatschap [verzoeker 2], uit [plaats 2] ,
verzoeksters,
(gemachtigde: mr. E . de Witte),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis

(gemachtigde: mr. A. Schreijenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over handhavend optreden tegen de wijze van gebruik van een woning in [plaats 2] . Verzoeksters zijn het niet eens met de wijze van handhavend optreden en verzoeken in deze procedure om een voorlopige voorziening die inhoudt dat zij langer de tijd krijgen. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeksters.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De opgelegde last onder dwangsom is naar zijn voorlopig oordeel niet zorgvuldig genoeg tot stand gekomen en er zijn nieuwe omstandigheden waardoor er een redelijke kans is dat dit besluit na volledige heroverweging in de beslissing op bezwaar herroepen zal worden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 heeft het college aan [verzoeker 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruiken van het pand aan [adres] te [plaats 2] voor de zorg aan kinderen
.Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college stelt ook dat niet aan alle brandveiligheidsvoorschriften wordt voldaan. De last is echter opgelegd wegens het gebruiken van het pand in strijd met het bestemmingsplan en niet wegens het niet voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters in de persoon van [verzoeker 1] , de gemachtigde van verzoeksters, [vertegenwoordiger college] namens het college en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
[verzoeker 1] is maat van de Maatschap [verzoeker 2] (hierna: de maatschap) en biedt via de maatschap zorg en opvang aan kwetsbare kinderen. De maatschap is daartoe een overeenkomst aangegaan met Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (hierna: IJZ).
3.2.
Na een brand op 8 oktober 2025 in een pand in [plaats 3] , in gebruik bij verzoeksters, heeft er op 9 oktober 2025 een controle plaatsgevonden in de woning aan [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning), tevens in gebruik bij verzoeksters. Op dat moment hadden er meerdere kinderen verblijf in de woning.
3.3.
Naar aanleiding van de controle heeft het college geconcludeerd dat de woning in strijd met het omgevingsplan wordt gebruikt voor zorgdoeleinden en dat de brandveiligheidsvoorzieningen niet goed op orde zijn.
3.4.
Op 10 oktober 2025 heeft het college aan [verzoeker 1] een last onder dwangsom opgelegd die strekt tot het staken van het gebruik van de woning in strijd met het omgevingsplan en daaraan een begunstigingstermijn verbonden van vier weken. Het college heeft daarnaast een aantal overtredingen benoemd aangaande brandveiligheid en daarbij opgemerkt dat [verzoeker 1] daarvoor maatregelen kan nemen en ook geadviseerd bepaalde maatregelen te nemen waaronder het beperken van het maximumaantal kinderen tot drie in verband met het aantal slaapkamers.
3.5.
[verzoeker 1] heeft Smart Brandbeveiliging een brandveiligheidscontrole van de woning laten uitvoeren op 14 oktober 2025.
3.6.
Vanwege het niet (tijdig) melden van de brand in het pand in [plaats 3] bij de Inspectie Gezondheidszorg Jeugd, in samenhang met een aantal andere omstandigheden, heeft IJZ de overeenkomst tussen haar en de maatschap ontbonden. In de ontbindingsbrief van 16 oktober 2025 heeft IJZ de maatschap erop gewezen dat als gevolg van de ontbinding de overeenkomst per direct ophoudt te bestaan, maar dat de maatschap gehouden blijft tot naleving van haar wettelijke en contractuele verplichting om te zorgen voor een warme overdracht van de jeugdigen die op dat moment onder de zorg van de maatschap stonden. Uit het verweerschrift van het college leidt de voorzieningenrechter af dat daarbij een termijn is geboden van zes maanden om de zorg voor de jeugdigen over te dragen aan iemand anders.
3.7.
Op 30 oktober 2025 heeft Vigiles Brandveiligheid op verzoek van [verzoeker 1] de woning bezocht. Dit bedrijf heeft blijkens haar terugkoppeling op hoofdlijnen de brandveiligheidsvoorzieningen en de soort huisvesting beoordeeld en ingeschat dat, uitgaande van een reguliere woonfunctie voor zorg, brandwering ter plaatse van de dakaansluiting moet worden gerealiseerd, de voordeur van een draaiknopcilinder moet worden voorzien en er moet onderhoud worden gepleegd aan de cv-ketel en overige installaties.
3.8.
Op 31 oktober 2025 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen de last. Dit bezwaar wordt waarschijnlijk behandeld op een hoorzitting in januari 2026.
3.9.
Op 3 november 2025 hebben verzoeksters om een voorlopige voorziening verzocht die strekt tot verlenging van de begunstigingstermijn. Zij wilden meer tijd krijgen voor het vinden van een structurele oplossing voor verblijf elders van de drie nog in de woning verblijvende kinderen. Daarbij is verwezen naar overleggen die eind oktober 2025 hebben plaatsgevonden tussen verzoeksters, IJZ en jeugdbescherming.
3.10.
Op 4 november 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
3.11.
Bij bericht van 7 november 2025 heeft de gemachtigde van verzoeksters een brief van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJR) overgelegd. In die brief staat het zorgbeeld beschreven van één van de in de woning verblijvende kinderen ( [voorletter] .), een beschrijving van de risico’s voor dat kind indien moet worden overgegaan tot terugplaatsing op een crisisplek en de conclusie dat voortzetting van het verblijf bij [verzoeker 1] is aangewezen. Ook zijn twee door Jeugdbescherming west Zeeland opgestelde onderbouwingen overgelegd van de noodzaak tot tijdelijke continuering van de zorg aan de twee overige, op dat moment nog in de woning verblijvende kinderen.
3.12.
Op 20 november 2025 hebben verzoeksters medegedeeld dat er nog maar één kind ( [voorletter] .) in de woning woont. Voor de twee andere kinderen zijn inmiddels vervangende opvangplekken gerealiseerd.
3.13.
In een door verzoeksters overgelegde e -mail van 4 december 2025 heeft LJR toegelicht dat voor het derde kind ( [voorletter] .) drie mogelijke trajecten worden onderzocht, waaronder pleegzorg bij [verzoeker 1] . Zodra een keuze is gemaakt en er plek is, wordt een plaatsingsdatum afgesproken, waarbij wordt uitgegaan van 1 februari 2026. Daarbij heeft het LJR onderstreept dat zij een tijdelijke crisisplaatsing van het kind koste wat kost wil voorkomen.
Toetsingskader
4. Op het perceel waar het over gaat is het Omgevingsplan [plaats] van toepassing. Via de Beheersverordening Kom [plaats 2] is het bestemmingsplan Kom [plaats 2] tijdelijk onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Sluis . De woning heeft daarin de bestemming Wonen. De bestemmingsplanbepaling staat in een bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen.
Inhoudelijke toetsing
5. De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat de last niet aan de maatschap is opgelegd; die is slechts aan [verzoeker 1] opgelegd. Formeel hoeft de maatschap zelf dus niet aan last te voldoen. De maatschap is echter wel contractspartij van IJZ en de formele zorgverlener aan de kinderen. Volgens [verzoeker 1] huurt de maatschap ook de woning. Een en ander maakt dat het belang van de maatschap ook rechtstreeks bij de last is betrokken.
Spoedeisend belang
6. Het college heeft het standpunt dat niet langer sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, omdat er geen kinderen meer in de woning zouden verblijven, ter zitting laten varen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, gelet op de door het college gegeven begunstigingstermijn en het belang van het kind dat nu nog in de woning verblijft om niet op een crisisopvangplek te worden geplaatst.
Was het college bevoegd handhavend op te treden? Is sprake van een overtreding?
7. Het college stelt dat de woning wordt gebruikt voor het aanbieden van zorg. Dat is in strijd met de woonbestemming. Het college heeft geconstateerd dat er geen goede definitie van wonen in het bestemmingsplan is opgenomen en sluit daarom aan bij de normale betekenis van het begrip wonen. Dat is het houden van woonverblijf in een gebouw of woning met een zekere mate van duurzaamheid, bestemd voor het verblijf van personen als privé-huishouden.
7.1.
Verzoeksters erkennen dat in het pand bedrijfsmatig zorg verleend wordt. Zij wijzen er echter ook op dat er nog maar één kind in de woning woont en dat dit dus ook als wonen kan worden gezien.
7.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het er in zekere mate over eens zijn op welke wijze de zorg feitelijk wordt verleend. Daarbij speelt mee dat het aantal kinderen dat in de woning verblijft, is teruggebracht naar één. De situatie is daarmee op dit moment wezenlijk anders dan toen de last onder dwangsom werd opgelegd. Gelet op het feit dat het hier om een voorlopig oordeel gaat en de beperkte tijd die daarvoor is in het kader van deze procedure, heeft de voorzieningenrechter zich maar een beperkt beeld kunnen vormen bij de feitelijke wijze waarop de zorg wordt verleend en wat dit betekent voor de vraag of hiermee sprake is van een overtreding. Het feit dat het overgebleven kind door verschillende zorgverleners beroepsmatig wordt verzorgd, duidt erop dat er wel degelijk sprake is van een sterk bedrijfsmatig zorgelement. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er dus wel sprake van een overtreding, nu ter plaatse slechts wonen is toegestaan en geen sprake is van de functieaanduiding van een (bedrijfsmatige) ‘woonzorgvoorziening’.
Had het college eerst een zienswijze moeten vragen?
8. Verzoeksters stellen dat het college het besluit ten onrechte niet vooraf heeft aangekondigd. Zij hebben daardoor geen zienswijze in kunnen dienen en geen maatregelen kunnen nemen. Dit raakt de zorgvuldigheid van de besluitvorming.
8.1.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat hij onmiddellijk maatregelen wilde nemen om herhaling van een brand in een pand waar kinderen verblijven te voorkomen. Dat was erg urgent omdat het pand niet aan de brandveiligheidsnormen voldeed. Via de collega’s van de afdeling zorg en welzijn had het college voldoende zicht op de mogelijkheden om de kinderen elders te plaatsen.
8.2.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor het feit dat het college voortvarend op wilde treden met betrekking tot brandveiligheid. Hij kan ook enigszins volgen dat niet is aangeschreven op het niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot brandveiligheid. Die keuze is ingegeven, zo begrijpt de voorzieningenrechter, doordat het college een situatie van zorg zoals verzoeksters die verlenen niet wenselijk vindt in de woning. Het verlangen van staking van dat gebruik verhoudt zich volgens het college niet goed met het per direct moeten voldoen aan de strengere brandveiligheidsvoorschriften die gelden in zo’n situatie en de daarmee gepaard gaande investeringen die verzoeksters dan zouden moeten doen. Tegelijkertijd is een begunstigingstermijn gegund van vier weken, omdat dit het college in het algemeen voldoende leek om kinderen te herplaatsen naar een locatie die niet brandonveilig is. Gelet op deze termijn ziet de voorzieningenrechter niet in waarom het college er niet ook voor heeft gekozen om een deel van die termijn te gebruiken om het gesprek aan te gaan met verzoeksters om zo inzicht te krijgen in de herplaatsingsmogelijkheden en de gevolgen daarvan voor de kinderen en mogelijk ook om inzicht te krijgen in (tijdelijke) maatregelen om de brandveiligheid naar een acceptabel niveau te krijgen. De voorzieningenrechter ziet dat in de belangenafweging zoals die uit het bestreden besluit blijkt eenzijdig aandacht is gegeven aan de brandveiligheid en is er, hoewel de brandveiligheid ook een primair belang van de kinderen is, niet van overtuigd dat het college op voorhand alle belangen en omstandigheden goed genoeg in zicht had om een weloverwogen besluit te nemen. Dit duidt op een zorgvuldigheidsgebrek. Dit gebrek kan in beginsel in de bezwaarprocedure hersteld worden, zodat dit geen directe aanleiding is om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter zal hierna kijken of daar inhoudelijk wel aanleiding toe is.
Beginselplicht tot handhaving
9. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Is de begunstigingstermijn te kort?
10. Verzoeksters hebben met name gewezen op het belang van continuering van de zorg aan de kinderen en het feit dat zij contractueel tot 16 april 2026 nog zorg moet kunnen verlenen. Het plaatsen van kinderen in de spoedzorg is niet goed voor de kinderen. Zij wijzen er daarbij op dat ze er alles aan doen om zo snel mogelijk alternatieve opvang te vinden: dat is ten tijde van de zitting op één kind na gelukt. De planning is dat [verzoeker 1] zelf pleegouder wordt van het overgebleven kind. Zodra het pand in [plaats 3] , waar brand is geweest, is hersteld, zal zij daar met het overgebleven kind gaan wonen. In haar huidige woning is onvoldoende ruimte
.Verzoeksters weten ook niet goed waar ze aan moet voldoen voor wat betreft de brandveiligheidsvoorschriften voor de woning in [plaats 2] , maar hebben al wel maatregelen genomen.
10.1.
Het college stelt dat er in vier weken tijd een alternatief kan worden gevonden. Dit gelet op de ervaringen bij het voorgaande pand. Hij bestrijdt dat het regelen van pleegzorg drie maanden duurt.
10.2.
Deze grond slaagt. Gebleken is dat niet alle kinderen binnen vier weken naar een goede voorziening herplaatst konden worden. Het betreft hier kwetsbare kinderen. Het college heeft onvoldoende gekeken naar de invloed van het op zeer korte termijn plaatsen van de kinderen naar mogelijk tijdelijke voorzieningen.
10.3.
Gelet op de huidige situatie mist de voorzieningenrechter een belangenafweging tussen het belang van het overgebleven kind bij continuering van de zorg op de huidige locatie totdat de oude locatie weer beschikbaar komt, het belang van een snel einde aan het strijdig gebruik van de woning en de risico’s die er zijn met betrekking tot brandveiligheid. Verzoekster heeft aangegeven inmiddels alle maatregelen te hebben genomen, met uitzondering van het wegnemen van het risico van brandoverslag bij de dakisolatie. De huidige situatie waarbij er nog maar één kind in de woning verblijft, waarbij maatregelen zijn genomen om de brandveiligheid te verbeteren en deskundigen duidelijk hebben aangegeven dat een tussenoplossing voor het overgebleven kind onwenselijk is, vraagt om een nieuwe belangenafweging, waarbij het college ook uitdrukkelijk andere belangen dan alleen de brandveiligheid moet meewegen. Het goed en zonder schadelijke onderbreking kunnen voorzien in de zorgbehoefte van het overgebleven kind moet uitdrukkelijk meegewogen worden. De voorzieningenrechter acht het zeer voorstelbaar dat aan de hand daarvan tot een andere en beter afgewogen begunstigingstermijn wordt gekomen dan de huidige. In het belang van het overgebleven kind, waarbij ook acht is geslagen op de beschrijvingen van de situatie van dit kind door LJ&R, haar ouders en [verzoeker 1] , zal de voorzieningenrechter de last onder dwangsom schorsen tot na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat het college terecht oog heeft voor de fysieke veiligheid (brandveiligheid) en dat het zaak is zo snel mogelijk tot een definitieve brandveilige plaatsing te komen. De voorzieningenrechter heeft op basis van de stukken in het dossier die dateren van na de last onder dwangsom de indruk dat verzoeksters dit, met ondersteuning en toezicht van de betrokken instanties, ook nastreven. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat ook als reeds voorafgaand aan de beslissing op bezwaar zich de mogelijkheid voordoet om het strijdig gebruik te staken, verzoeksters hiertoe ook direct zullen overgaan.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het dwangsombesluit van 10 oktober 2025 tot twee weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter gaat er daarbij wel vanuit dat verzoeksters zo mogelijk eerder de overtreding beëindigen.
11.1.
Dat houdt ook in dat het college wordt veroordeeld in vergoeding van het griffierecht van € 194,- en betaling van de proceskosten van € 1.841,45 (2 keer € 907,- en reiskosten van € 27,45 van [verzoeker 1] ).

Besluit

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 10 oktober 2025 tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.841,45 aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Wesel, griffier, op 18 december 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bestemmingsplan Kom [plaats 2]
Artikel 18 Wonen
18.1
Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen;
ter plaatse van de aanduiding 'bunker': uitsluitend het behoud en / of herstel van de cultuurhistorische waarden van de aanwezige bunker;
ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel': tevens voor detailhandel;
ter plaatse van de aanduiding 'garageboxen': uitsluitend voor garages en bergplaatsen;
ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': tevens voor kantoren;
ter plaatse van de aanduiding 'logies en ontbijt': tevens voor logies met ontbijt;
ter plaatse van de aanduiding 'opslag': uitsluitend voor opslagactiviteiten voor zover voorkomend in bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
ter plaatse van de aanduiding 'werkplaats': tevens voor een werkplaats met bedrijfsactiviteiten behorende tot ten hoogste bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
ter plaatse van de aanduiding 'woonzorgcomplex': tevens voor woonzorgvoorzieningen;
bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, toegangs- en achterpaden, parkeervoorzieningen.