ECLI:NL:RBZWB:2025:9084

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/6250
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van herstelbesluit inzake toekenning van voorzieningen op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom. Eiseres had een beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 18 juli 2024, waarin het college een ruimere ondersteuning had toegekend op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak van 5 augustus 2025 het college de opdracht gegeven om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. In het herstelbesluit van 22 september 2025 heeft het college aanvullende vergoedingen toegekend voor de pvc-vloer en woninginrichting, maar de rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende tegemoet was gekomen aan de behoeften van eiseres. De rechtbank heeft het herstelbesluit vernietigd voor zover daarin is opgenomen dat toegekende bedragen rechtstreeks aan de betrokken leverancier of zorgverlener worden betaald. De rechtbank heeft bepaald dat het college de toegekende bedragen aan eiseres moet uitbetalen nadat zij een factuur en/of betalingsbewijs heeft overgelegd. Eiseres heeft recht op vergoeding van het griffierecht en proceskosten, die door het college moeten worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6250

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft brede ondersteuning aangevraagd op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Bij besluit van 4 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft het college een voorziening toegekend voor de bekostiging van een pvc-vloer.
1.2.
Met het besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college op het bezwaar van eiseres beslist. Daarbij heef het college een ruimere ondersteuning toegekend.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
1.5.
In de tussenuitspraak van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak het bestreden besluit op 22 september 2025 herzien (het herstelbesluit). Eiseres heeft hier met een e-mail van 29 oktober 2025 op gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 november 2025 gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2.1.
Samengevat heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de omvang en de hoogte van de voorziening voor het leggen van een pvc-vloer voor de gehele woning en daarbij rekening moet houden met de kosten voor het leggen van een geschikte ondergrond. Daarnaast heeft de rechtbank het college de opdracht gegeven te onderzoeken of de door eiseres genoemde problemen in de woninginrichting, waaronder kapotte en versleten gordijnen, bank, eetkamerstoelen en bedden en een kleding- en voorraadkast, aanleiding geven voor aanvullende ondersteuning en hierover alsnog een beslissing te nemen.
Nadere zitting
3. Eiseres heeft verzocht om een nadere behandeling van het beroep. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Alle relevante informatie is voorhanden en de standpunten van eiseres en het college zijn voldoende duidelijk. Het beroep kan daarom zonder nadere zitting worden afgedaan.
Zijn de gebreken hersteld?
4. Het college heeft het besluit van 18 juli 2024 op 22 september 2025 herzien. In dit besluit is een aanvullende vergoeding toegekend voor de pvc-vloer op de beneden- en bovenverdieping. Daarnaast zijn voor de woninginrichting diverse bedragen toegekend of in het vooruitzicht gesteld, waaronder voor:
- een twijfelaar voor de minderjarige zoon van eiseres
- een tweepersoonsbed voor eiseres en haar dochter
- stoffering voor de woning (gordijnen)
- een wasdroger
- zelf aangeschafte kledingkasten
- een bankstel
- vervanging van een deur naar de woonkamer;
- herstel en montagewerkzaamheden via een klusjesman.
Tot slot is voor gebitsherstel een aanvullend bedrag toegekend.
De vergoedingen zijn vastgesteld op basis van 120% van de bedragen uit de Nibud Prijzengids 2025-2026 of op basis van door de gemeente opgevraagde offertes. Het college heeft opgenomen dat de betaling van vrijwel alle bedragen rechtstreeks zal plaatsvinden aan de betrokken leveranciers of uitvoerders, na overlegging van facturen, uiterlijk in te dienen voor 1 januari 2027.
4.1.
Eiseres stelt dat het college met het herstelbesluit onvoldoende tegemoet is gekomen aan haar behoeften. Zij voert daartoe aan dat het college miskent dat het noodzakelijkheidscriterium niet op zichzelf staat, maar dat getoetst dient te worden aan het maken van een nieuwe start. Daarbij moet volgens haar niet worden uitgegaan van de (minimale) bijstandsnorm, maar moet de gedupeerde teruggebracht worden in de leefomstandigheden waarin hij of zij voor het gedupeerd raken verkeerde.
5. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 22 september 2025. [1] De rechtbank beoordeelt hierna of het college met dit besluit op toereikende wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak van 5 augustus 2025. De rechtbank zal daartoe achtereenvolgens ingaan op de voorziening voor de vloeren, de voorzieningen voor de woninginrichting, de voorziening voor het gebitsherstel en de wijze van vergoeden.
Toetsingskader
6. Eiseres heeft zich in algemene zin op het standpunt gesteld dat het college haar moet terugbrengen in de leefomstandigheden waarin zij verkeerde voor het gedupeerd raken. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals overwogen in de tussenuitspraak kent het college brede ondersteuning alleen toe voor zover dit noodzakelijk is om een nieuwe start mogelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat dit criterium niet inhoudt dat eiseres moet worden teruggebracht in haar oude leefomstandigheden. Voor een verdergaand criterium, waarbij het college gehouden zou zijn tot volledige restitutie, bieden de tekst van de wet en ook de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten. Hierna zal de rechtbank dan ook beoordelen of het college in het herstelbesluit op toereikende wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak.
De vloeren
7. In de tussenuitspraak van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de omvang en de hoogte van de voorziening voor het leggen van een pvc-vloer, waarbij uitgegaan wordt van de gehele woning (beneden- en bovenverdieping) en rekening gehouden wordt met de kosten voor het leggen van een geschikte ondergrond (zoals een ondervloer of egalisatie). De rechtbank beoordeelt hierna of met het herstelbesluit aan deze opdracht uitvoering is gegeven.
8. Met het herstelbesluit heeft het college voor het vervangen van de vloer op de benedenverdieping een aanvullende vergoeding toegekend van € 1.395,64. Dit is gebaseerd op een bedrag van € 2.912,- voor het leggen van een geschikte laminaatvloer, inclusief ondervloer en het plaatsen daarvan, en € 483,64 voor de afwerking met plinten, waarvan een bedrag van € 2.000,- reeds was toegekend en betaald.
Voor de vloer van de bovenverdieping kent het college een bedrag toe van € 1.940,36, bestaande uit € 1.664,- voor de vloer en € 276,36 voor de afwerking met plinten.
Het college heeft toegelicht dat deze bedragen zijn gebaseerd op een offerte van een onafhankelijke leverancier voor een geschikte laminaatvloer, inclusief ondervloer en de plaatsing daarvan.
8.1.
Eiseres voert aan dat het college de kosten van het egaliseren van de vloeren is vergeten mee te nemen. Zij schat deze kosten op € 1.960,-.
9. De rechtbank is van oordeel dat met de in het herstelbesluit opgenomen toegekende bedragen voor de vloeren van de beneden- en bovenverdieping op toereikende wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak. De toegekende bedragen zijn gebaseerd op de vloeroppervlakte zoals deze blijkt uit plattegronden van de woningbouwvereniging en op een offerte van een onafhankelijke leverancier.
Ten aanzien van de kosten voor het egaliseren merkt de rechtbank op dat tijdens de zitting van 26 juni 2025 is toegelicht dat of de vloer geëgaliseerd moet worden of er een ondervloer nodig is. Nu uit het herstelbesluit blijkt dat een ondervloer is inbegrepen in de toegekende bedragen, ziet de rechtbank geen aanleiding eiseres te volgen in haar standpunt dat het college de kosten voor het egaliseren is vergeten.
Woninginrichting
10. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college moet onderzoeken of de door eiseres genoemde problemen in de woninginrichting, waaronder kapotte en versleten gordijnen, bank, eetkamerstoelen en bedden en een kleding- en voorraadkast, aanleiding geven voor aanvullende ondersteuning.
10. In het herstelbesluit heeft het college alsnog vergoedingen toegekend voor:
- een twijfelaar voor de minderjarige zoon van eiseres € 492,-
- een tweepersoonsbed voor eiseres en haar dochter € 660,-
- stoffering voor de woning (gordijnen) € 661,20
- een wasdroger € 726,-
- zelf aangeschafte kledingkasten € 552,-
- een bankstel € 696,-
Het college merkt hierbij op dat het gaat om maximale bedragen die na het ontvangen van de facturen rechtstreeks aan de leveranciers betaald zullen worden.
In het besluit op bezwaar van 18 juli 2024 is voor de vergoeding van het meubilair uitgegaan van de gemiddelde prijzen in de toenmalige Nibud Prijzengids. In het herstelbesluit is dit herzien op basis van de vernieuwde Nibud Prijzengids 2025-2026, waarbij 120% van die prijzen is toegekend. Het verschil tussen 100% en 120% van de eerder toegekende vergoedingen zal het college alsnog aan eiseres uitkeren:
- nacalculatie voor de betaalde vergoeding van de eettafel € 120,-
- nacalculatie voor de betaalde vergoeding van de salontafel € 26,-
Ook het vervangen en verplaatsen van de binnendeur tussen de hal en de woonkamer wordt volledig vergoed op basis van een nog op te vragen offerte bij woningcorporatie Stadslander .
Tot slot worden ook de diensten van een klusjesman voor het ophangen van de nog aan te schaffen gordijnen in de slaapkamers van de zoon en eiseres, het terug ophangen/repareren van het keukenkastdeurtje en het nalopen/vastlijmen van de bekleding op de trap volledig vergoed op basis van een nog op te vragen offerte en in overleg met de gemeente.
11.1.
Eiseres voert aan dat voor haar dochter een laag bed nodig is omdat haar dochter, gelet op de bij het college bekende hoge spierspanning, op onvoorziene momenten uit bed kan vallen. Volgens eiseres is de toegekende voorziening voor het bed daarom niet toereikend.
12. De rechtbank is van oordeel dat met de toekenningen voor de woninginrichting in het herstelbesluit op toereikende wijze uitvoering is gegeven aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Voor zover de toegekende vergoedingen door eiseres niet zijn bestreden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nadere beoordeling.
12.1.
Ten aanzien van het bed dat eiseres deelt met haar dochter overweegt dat rechtbank dat niet concreet is gemaakt waarom met het toegekende bedrag geen bed kan worden aangeschaft waarmee wordt voorkomen dat de dochter van eiseres uit bed valt. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt dat eiseres een laag bed wenst, dat voldoende ruimte biedt. Een bedhekje acht zij niet nodig. Deze toelichting biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat een bijzondere of duurdere voorziening noodzakelijk is. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank ook met deze toegekende vergoeding in redelijkheid uitvoering gegeven aan de opdracht uit de tussenuitspraak.
Tandartskosten
13. Tijdens het onderzoek in het kader van de tussenuitspraak gaf eiseres aan dat de problemen met haar gebit zo ernstig zijn dat deze niet kunnen worden opgelost met de eerder toegekende € 500,-. Zij verzocht daarom om de vergoeding voor de reparaties en herstelwerkzaamheden aan haar gebit opnieuw te beoordelen. Het college heeft daarop in het herstelbesluit een aanvullend bedrag van maximaal € 3.540,11 toegekend, bestaande uit:
- Reeds door eiseres betaalde intake bij de tandarts € 100,-
- Kosten mondhygiënist € 200,-
- Tandartskosten € 3.512,51
- Mogelijk extra trekken van vier tanden en/of kiezen € 227,60
met vermindering van het eerder toegekende bedrag van € 500,-.
13.1.
Eiseres voert aan dat met een kunstgebit geen redelijke voorziening wordt geboden. Volgens haar gaat het om het terugkrijgen van een gezond gebit en zijn implantaten daarvoor de aangewezen methode.
Daarnaast stelt eiseres dat het college ten onrechte stelt dat zij geen recht meer zou hebben op materiële vergoedingen en dat deze stelling bovendien niet is gemotiveerd.
14. De rechtbank overweegt dat zij in de tussenuitspraak een oordeel heeft gegeven over de tandartskosten. De tandartskosten maakten dan ook geen deel uit van de bestuurlijke lus. In de uitvoering van de bestuurlijke lus heeft het college desalniettemin aanleiding gezien om, in het voordeel van eiseres, een aanvullende vergoeding voor toe te kennen. De rechtbank begrijpt dit als een verbreding van de omvang van het geding. In het licht van het (voortgezette) geding acht de rechtbank dat reëel. Zij volgt die verbreding van de (na de tussenuitspraak nog resterende) omvang van het geding dan ook.
14.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het herstelbesluit op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld welke voorziening passend is in het kader van het maken van een nieuwe start. Het college heeft toegelicht dat is gekozen voor een vergoeding die gebaseerd is op een zogenoemd frame-werk en niet voor kronen, gelet op de hoge kosten van kronen en de praktijk bij vergelijkbare situaties waarin het college eveneens frame-werk heeft vergoed. Daarbij is een gespecificeerde berekening overgelegd van de kosten die met deze voorziening gemoeid zijn. Die toelichting acht de rechtbank voldoende inzichtelijk en gemotiveerd.
14.2.
De keuze om aan te sluiten bij een frame-werk als passende voorziening acht de rechtbank niet onredelijk. De enkele wens van eiseres om in aanmerking te komen voor implantaten vormt onvoldoende grond om tot een hogere vergoeding over te gaan.
14.3.
Voor zover eiseres aanvoert dat het college heeft gesteld dat zij geen recht meer zou hebben op materiële vergoedingen, constateert de rechtbank dat die stelling geen nadere rol speelt in de besluitvorming over de tandartskosten. De rechtbank gaat daaraan daarom voorbij.
Wijze van vergoeden
15. In het herstelbesluit is opgenomen dat de (meeste van de) toegekende vergoedingen rechtstreeks aan de betrokken leverancier of zorgverlener worden betaald, nadat door eiseres een factuur is aangeleverd.
15.1.
Eiseres merkt op dat het betalen aan betrokken leveranciers begrijpelijk is, maar dat dat in de gevallen waarin zij zelf geld bij moet leggen praktisch onuitvoerbaar is.
16. De rechtbank is van oordeel dat de wijze van vergoeden waarbij rechtstreeks aan de betrokken leverancier of zorgverlener wordt betaald nadat door eiseres een factuur is aangeleverd, in dit geval niet (goed) werkbaar is. Het zal immers niet in alle gevallen mogelijk zijn om eerst een factuur te krijgen en rechtstreeks te laten betalen door het college. Het college heeft in het herstelbesluit niet gemotiveerd waarom in die gevallen niet betaald kan worden aan eiseres zelf. Het herstelbesluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
16.1.
De rechtbank acht het daarom passend dat eiseres de mogelijkheid krijgt om, door het overleggen van betalingsbewijzen, aan te tonen dat de voorziening is aangeschaft of gerealiseerd, waarna het toegekende bedrag aan haar kan worden uitbetaald.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het herstelbesluit enkel voor zover daarin is opgenomen dat toegekende bedragen rechtstreeks worden betaald aan de betrokken leverancier of zorgverlener. De rechtbank voorziet zelf in de zaak in die zin dat zij bepaalt dat het college de toegekende bedragen uitbetaalt aan eiseres nadat zij, voor 1 januari 2027, een factuur en/of betalingsbewijs heeft overgelegd.
17.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
17.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het herstelbesluit enkel voor zover daarin is opgenomen dat toegekende bedragen rechtstreeks worden betaald aan de betrokken leverancier of zorgverlener;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het herstelbesluit;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Boer-IJzelenberg, griffier op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.