ECLI:NL:RBZWB:2025:9092

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/3034
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak belastingzaak niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende diende verzet in tegen een uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024, waarin het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar ongegrond werd verklaard en het verzoek om een dwangsom werd afgewezen.

De rechtbank beoordeelde of het verzet tijdig was ingediend. De termijn voor het indienen van verzet bedroeg zes weken, startend de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. De uitspraak was op 23 december 2024 digitaal geplaatst en als ontvangen beschouwd, waardoor de termijn eindigde op 3 februari 2025.

Het verzetschrift werd pas op 21 maart 2025 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn. Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding te geven, maar gaf geen verontschuldiging. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk, waardoor de bestreden uitspraak in stand blijft.

Er werd geen inhoudelijke beoordeling van het verzet gegeven en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers op 19 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van het verzetschrift zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3034

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] (Curaçao), belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar ongegrond heeft verklaard en het verzoek om een dwangsom heeft afgewezen.
2. Belanghebbende heeft digitaal verzet ingediend bij het Gerechtshof
’s-Hertogenbosch. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het verzetschrift doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het verzet te behandelen
3. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het verzet ontvankelijk?
6. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de uitspraak is toegezonden. Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4]
7. Als iemand een verzetschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
8. De griffier heeft de uitspraak op 23 december 2024 in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst. Van de plaatsing van de uitspraak is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven adres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende de uitspraak op 23 december 2024 heeft ontvangen. [6] De termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 3 februari 2025. Belanghebbende heeft op 21 maart 2025 digitaal een verzetschrift ingediend. Het verzetschrift is niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
9. Belanghebbende is op 27 maart 2025 en 21 juli 2025 in de gelegenheid gesteld reden te geven voor de termijnoverschrijding. Van de plaatsing van deze berichten is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven adres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende de berichten op 27 maart 2025 en 21 juli 2025 heeft ontvangen. [7] Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb.
7.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb.