ECLI:NL:RBZWB:2025:9094

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5008
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 25 april 2025 waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op een verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank beoordeelt of deze niet-ontvankelijkheid terecht is vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat de ingebrekestellingen prematuur waren omdat deze werden ingediend voordat de beslistermijn was verstreken. Belanghebbende heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die dit oordeel zouden kunnen veranderen. Tevens is vastgesteld dat het griffierecht correct is voldaan en de procedure als spoedeisend is aangemerkt, hoewel de uitspraak niet binnen de wettelijke termijn werd gedaan.

De rechtbank oordeelt dat het overschrijden van de termijn niet automatisch leidt tot het horen van belanghebbende op een zitting, noch tot schending van het recht op een eerlijk proces. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de redelijke termijn nog niet is overschreden.

Daarmee blijft de uitspraak van 25 april 2025 in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft met dagtekening 5 mei 2025 een brief verzonden aan het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank van 25 april 2025. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft belanghebbende laten weten dat tegen deze uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep mogelijk is en de brief doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft de brief in behandeling genomen als verzetschrift.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 april 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uitspraak 25 april 2025
5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 april 2025 geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van belanghebbende van 16 februari 2024
niet-ontvankelijk is. De ingebrekestellingen van belanghebbende zijn ingediend toen de beslistermijn nog niet was verstreken. De rechtbank is niet toegekomen aan het vaststellen van een dwangsom en ook niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
Gronden van verzet
6. Belanghebbende voert in verzet aan dat de rechtbank de toegang tot de rechter belemmerd. Belanghebbende heeft de nota voor het griffierecht met dagtekening 25 juni 2024 pas op 2 september 2024 ontvangen. De nota is opzettelijk achtergehouden. Daarnaast heeft de rechtbank de procedure als spoedeisend aangemerkt, maar is de uitspraak niet binnen een redelijke termijn gedaan. Belanghebbende is ook niet gehoord over zijn klachten. Belanghebbende vindt de gang van zaken in strijd met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
7. De rechtbank heeft op 1 augustus 2024 een aangetekende nota voor het griffierecht aan belanghebbende verzonden, nadat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de aangetekende nota die op 25 juni 2024 door het Dienstencentrum Rechtspraak is verstuurd bij belanghebbende is aangekomen. Belanghebbende heeft in zijn brief met dagtekening 7 augustus 2024 aangegeven de nota van 1 augustus 2024 op 7 augustus 2024 te hebben ontvangen. Het griffierecht is voldaan en het beroep is in behandeling genomen. Deze grond slaagt niet.
8. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht. [2] Belanghebbende heeft om die reden een brief ontvangen dat de rechtbank het beroep als spoedeisend heeft aangemerkt.
9. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde acht weken-termijn inderdaad is overschreden. Dat de termijn is overschreden betekent echter niet dat belanghebbende op een zitting had moeten worden gehoord. Dit volgt namelijk niet uit de wettekst. [3] Het stond de rechtbank nog steeds vrij om bij een zaak met een kennelijke uitkomst zonder zitting uitspraak te doen. Belanghebbende had over zijn klachten gehoord willen worden, maar de klachtenprocedure staat los van een inhoudelijke uitspraak over het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank is dan ook niet gebleken van een schending van het recht op een eerlijk proces. Deze grond slaagt niet.
10. De verzetsrechter zal tot slot beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft in de buiten-zittinguitspraak geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur is. Belanghebbende heeft hiertegen geen verzetsgronden aangevoerd. De rechtbank is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank niet juist is.
Immateriële schadevergoeding
11. Aangezien de verzetsrechter van oordeel is dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een dwangsom of een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.
11. Belanghebbende heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding. Nu belanghebbende beroep bij de rechtbank heeft ingesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op het verzoek van belanghebbende van 16 februari 2024, dient voor de aanvang van de redelijke termijn te worden uitgegaan van het moment waarop de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het uitblijven van een beslissing het verzoek van belanghebbende van 16 februari 2024 heeft ontvangen. Dit beroep is ontvangen op 5 juni 2024. Op het moment dat de verzetsrechter uitspraak doet zijn nog geen twee jaren verstreken en is de redelijke termijn dus niet overschreden. Belanghebbende heeft dus geen recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat de termijn van artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb voor de behandeling van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is overschreden, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet in de afwijkende wettelijke behandeltermijn in dit geval geen aanleiding de redelijke behandeltermijn anders vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

13. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 april 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Verder wijst de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:55b van de Awb.
3.Artikel 8:55b van de Awb.