ECLI:NL:RBZWB:2025:9095

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/894 en 25/898
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroepen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en Zvw afgewezen

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 15 september 2025, waarin haar beroepen op voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2024 niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

De rechtbank constateert een verschrijving in de naam van belanghebbende in de eerdere uitspraak, maar oordeelt dat dit haar belangen niet schaadt. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald ondanks meerdere herinneringen en onvoldoende onderbouwing van haar financiële situatie, waaronder het enkel stellen dat zij een bijstandsuitkering ontvangt.

De rechtbank wijst erop dat belanghebbende akkoord is gegaan met digitaal procederen en dat zij zelf verantwoordelijk is voor het tijdig en correct opvolgen van digitale communicatie. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, zoals de gedwongen sluiting van haar bedrijf, leiden niet tot een ander oordeel.

Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van haar beroepen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/894 en 25/898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet de volgende gronden aan:
- De uitspraak vermeld een onjuiste naam. Deze fout raakt de identiteit van procespartijen en vormt een essentieel gebrek in de rechtsvordering.
- Belanghebbende heeft meerdere malen een beroep gedaan op betalingsonmacht en het beroep is afgewezen, terwijl sprake is van een evident financiële onmogelijkheid om het griffierecht te betalen. Belanghebbende leeft van een bijstandsuitkering.
- De gelijktijdige behandeling van zaken onder verschillende nummers
heeft geleid tot dubbele griffierechtbetalingen en verwarring. Dit heeft een adequate procesdeelname ernstig belemmerd.
- Belanghebbende stelt dat cruciale digitale communicatie over het hoofd is gezien of niet adequaat is aangekomen bij een kwetsbare procespartij.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank stelt vast dat de naam in de uitspraak van 15 september 2025 een verschrijving bevat. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende door de verschrijving niet in haar belangen is geschaad. Het was voldoende duidelijk dat de correspondentie aan haar is gericht. Bovendien had belanghebbende – indien dit inderdaad verwarring heeft veroorzaakt – de rechtbank eerder op de verschrijving kunnen wijzen, aangezien haar naam al vanaf het begin van de procedure onjuist wordt vermeld.
7. De rechtbank heeft de beroepen op betalingsmacht voor het griffierecht bij brief van 20 maart 2025 afgewezen, omdat belanghebbende geen gegevens heeft verstrekt over haar vermogen en inkomen. De enkele stelling dat belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt is onvoldoende, aangezien dit in het geheel niet is onderbouwd met stukken. Belanghebbende heeft daarna een nieuwe nota gekregen met een (inclusief de in de herinnering verleende termijn) totale betaaltermijn van acht weken. De griffier heeft bij digitaal bericht van 15 mei 2025 de herinneringsnota van 21 april 2025 toegevoegd aan het digitaal dossier. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door haar voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 15 mei 2025 heeft ontvangen. [2] Belanghebbende is er op gewezen dat zij het griffierecht binnen de in de nota gestelde termijn dient te voldoen. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald.
8. De beroepen van belanghebbende zien op de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2024 met [aanslagnummer 1] en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2024 met [aanslagnummer 2] . Om die reden is er sprake van twee beroepen en zijn er twee zaaknummers aangemaakt. In het digitale dossier staat een zaaksoverzicht waarin is te zien welk zaaknummer op welk aanslagnummer ziet. In de ontvangstbevestiging is uitgelegd dat er sprake is van twee beroepen, maar belanghebbende alleen onder zaaknummer BRE 25/894 een nota voor het griffierecht ontvangt. Er is dan ook geen sprake van een (dubbele) betaling van het griffierecht.
9. Belanghebbende heeft digitaal beroep ingediend bij de rechtbank en is daarmee akkoord gegaan met de voorwaarden voor digitaal procederen. Belanghebbende had hulp in moeten schakelen als zij het digitaal procederen lastig vond, of de rechtbank kunnen verzoeken per post te communiceren. Dat belanghebbende, zoals zij stelt, cruciale informatie over het hoofd heeft gezien dient voor haar rekening te komen.
10. De rechtbank merkt nog op dat belanghebbende in haar verzetschrift benoemt dat de gedwongen sluiting van haar bedrijf in oktober 2023 plaatsvond toen complexe proceshandelingen vereist waren. Dit ziet echter niet op de vraag of belanghebbende het griffierecht wel of niet heeft betaald. De rechtbank ziet ook hierin dus geen reden anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 september 2025. Ook wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

11. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb.