ECLI:NL:RBZWB:2025:9096

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7834
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep naheffingsaanslag omzetbelasting ongegrond verklaard

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2019, maar dit beroep werd op 23 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het griffierecht wel was betaald, onderbouwd met een bankafschrift van een betaling op 21 januari 2025.

De rechtbank onderzocht dit en concludeerde dat de betaling waar belanghebbende naar verwees betrekking had op een ander beroepschrift, ingediend op 27 november 2024, voor andere naheffingsaanslagen en boetes. Voor elk afzonderlijk beroepschrift is echter griffierecht verschuldigd. Voor het beroepschrift van 15 november 2024, dat leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring, was geen betaling ontvangen.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad binnen zes weken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 met [aanslagnummer 1] .
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet aan dat het griffierecht is betaald. Belanghebbende heeft daarbij een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat op 21 januari 2025 een bedrag van € 187,- is overgemaakt aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid met [betalingskenmerk 1] .
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Van de indiener van een beroepschrift wordt door de griffier griffierecht geheven. [2] De griffier heeft op 15 november 2024 een beroepschrift ontvangen naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar van 8 november 2024. Belanghebbende is bij brieven van 22 november 2024 en 21 december 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In beide brieven wordt aangegeven dat belanghebbende de betaling kan voldoen met [betalingskenmerk 2] . Er is geen betaling met dit betalingskenmerk ontvangen.
7. De betaling waar belanghebbende naar verwijst en een betalingsoverzicht van heeft overgelegd, ziet op het beroepschrift dat de rechtbank digitaal heeft ontvangen op 27 november 2024. Dit beroepschrift ziet op de naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 2] , [aanslagnummer 3] en [aanslagnummer 4] en bij beschikking opgelegde boetes en belastingrente. De beroepen zijn geregistreerd onder zaaknummers BRE 24/8025 t/m 24/8027.
8. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voor ieder beroepschrift afzonderlijk griffierecht is verschuldigd. [3] Belanghebbende heeft voor de behandeling van dit beroepschrift, ontvangen op 15 november 2025, geen griffierecht betaald, terwijl hij daartoe op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 mei 2025 dan ook terecht geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet betalen van griffierecht.

Conclusie en gevolgen

9. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:41 van Pro de Awb.
3.Zie Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560.