ECLI:NL:RBZWB:2025:9099

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/3510
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 2 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26c AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep schenkbelasting verworpen

Belanghebbende diende een beroepschrift in tegen een aanslag schenkbelasting en een opgelegde boete. De rechtbank had het beroep op 24 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het te laat indienen van het beroepschrift.

Belanghebbende stelde in verzet dat het beroepschrift tijdig was ingediend en dat een rechtbankmedewerker dit had erkend. De rechtbank oordeelde echter dat het beroepschrift pas na de wettelijke termijn was ontvangen en dat belanghebbende geen bewijs leverde van tijdige indiening.

De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het verzet daarom ongegrond is. De uitspraak van 24 april 2025 blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag schenkbelasting van 19 september 2023 met [aanslagnummer] en de bij beschikking opgelegde boete.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 24 april 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet aan dat hij het niet eens met de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2025. Belanghebbende betwist dat hij stukken te laat heeft ingediend. Verder stelt belanghebbende dat een rechtbankmedewerker de casus op de rol heeft gezet en daarmee alsnog de tijdige inzending heeft erkend.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank stelt voorop dat het beroep niet op een zitting is geagendeerd en belanghebbende heeft ook geen uitnodiging voor een zitting gekregen. In het dossier zitten verder geen stukken waarin de indruk wordt gewekt dat de rechtbank een tijdige indiening van het beroep erkend. Belanghebbende heeft zijn standpunt ook niet onderbouwd met stukken. Deze gronden van verzet slagen niet.
7. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. [2] Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. [3] Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [4] Belanghebbende heeft in dit geval het beroepschrift zelf in de brievenbus van de rechtbank gedeponeerd.
8. De inspecteur heeft op 7 februari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Ook in verzet is die datum niet betwist. De laatste dag van de beroepstermijn is dan 20 maart 2024. Belanghebbende heeft het beroepschrift in de brievenbus gedaan. Het beroepschrift is op 27 maart 2024 ontvangen gelet op de registratie daarvan door de rechtbank. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend. Belanghebbende stelt wel dat het beroepschrift tijdig in de brievenbus is gedaan, maar levert geen bewijs van deze stelling.
9. De rechtbank is dan van oordeel dat er sprake is van een termijnoverschrijding waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding “verschoonbaar” is. [5] De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
10. Daarvoor moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen aan de indiener kan worden toegerekend. Belanghebbende heeft in verzet geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat het niet tijdig indienen niet aan hem kan worden toegerekend.

Conclusie en gevolgen

11. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 april 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Artikel 26c van de AWR.
4.Artikel 6:9, tweede lid van de Awb.
5.Artikel 6:11 van Pro de Awb.