ECLI:NL:RBZWB:2025:9104

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
BRe 25/1941
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Invorderingswet 1990Art. 8:5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 30 Invorderingswet 1990Art. 49 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdheidsuitspraak inzake verrekening belastingvordering ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 13 juni 2025, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het beroep tegen de verrekening van bedragen door de ontvanger van de Belastingdienst.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 24 Invorderingswet Pro 1990 en artikel 8:5 Awb Pro geen beroep mogelijk is tegen besluiten tot verrekening van uit te betalen en te innen bedragen. Dit betekent dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om hierover te oordelen.

Belanghebbende voert aan dat hij het geschuif met verantwoordelijkheden zat is en geen overzicht heeft van zijn financiële administratie, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank bevestigt haar eerdere oordeel dat zij onbevoegd is en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdheidsuitspraak wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1941

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van belanghebbende kennis te nemen.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 13 juni 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert in verzet aan dat hij het geschuif met verantwoordelijkheden zat is en hij geen overzicht heeft van zijn financiële administratie.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, omdat de ontvanger niet (tijdig) heeft beslist op het bezwaarschrift van 8 januari 2025. Dit bezwaarschrift ziet op de uitbetaling van bedragen naar aanleiding van een beschikking van 18 december 2024 en een openstaand bedrag als genoemd in de brief van 21 december 2024.
7. Een beslissing over het verrekenen van uit te betalen en te innen bedragen wordt genomen door de ontvanger op grond van artikel 24 van Pro de Invorderingswet 1990 (IW). In de IW is verder bepaald dat onder andere de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet op de IW van toepassing zijn. Dit betekent dat tegen beslissingen tot verrekening van de ontvanger geen beroep bij belastingrechter mogelijk is. Dit volgt ook uit artikel 8:5, eerste lid van de Awb dat bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Awb behoort. In die bijlage wordt de IW genoemd. [2] Dit betekent dat ook geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is.
8. De rechtbank concludeert dat met betrekking tot de door de ontvanger gedane verrekening slechts een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld en dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren. [3] De rechtbank heeft geen mogelijkheid om hier van af te wijken. Het oordeel van de rechtbank van 13 juni 2025 dat het buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is, is dus terecht.
9. De rechtbank wijst belanghebbende ten overvloede op het verweerschrift van 14 april 2025, waarin de ontvanger heeft uitgelegd hoe het te betalen bedrag is opgebouwd. De ontvanger is tevens bereid tot een telefonische toelichting.

Conclusie en gevolgen

10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 juni 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a IW.
3.Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3640.