ECLI:NL:RBZWB:2025:9105

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
02-205775-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een minderjarige voor meerdere strafbare feiten, waaronder opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2006. De verdachte is veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing, witwassen, en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en hennep. De verdachte kreeg een jeugddetentie van 107 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 100 uren. De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking van de woning van de verdachte rechtmatig was, ondanks de verdediging die stelde dat dit onrechtmatig was. De rechtbank sprak de verdachte vrij van enkele feiten wegens onvoldoende bewijs, maar achtte andere feiten wettig en overtuigend bewezen. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte vrijgesproken werd van het feit waaruit de schade voortvloeide. De rechtbank legde ook bijzondere voorwaarden op aan de proeftijd, waaronder het meewerken aan hulpverlening en het hebben van een positieve dagbesteding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-205775-24
vonnis van de meervoudige kamer van 23 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een afpersing;
feit 2: zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag;
feit 3: harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 4: hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 5: als minderjarige wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte, samen met anderen, de tenlastegelegde straatroof heeft gepleegd (feit 1). Hij baseert zich daarbij op de verklaring van [medeverdachte] , de aangifte en de filmpjes van de straatroof. Voor het tenlastegelegde witwassen vraagt de officier van justitie vrijspraak wegens onvoldoende bewijs (feit 2). Ook dient vrijspraak te volgen voor het opzettelijk aanwezig hebben van GHB, omdat dit enkel indicatief is getest (feit 3). De feiten 3, 4 en 5 acht de officier van justitie voor het overige wel bewezen. De doorzoeking van de woning van verdachte heeft rechtmatig plaatsgevonden op grond van artikel 49 Wet wapens en munitie (WWM).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat verdachte betrokken is geweest bij de straatroof (feit 1). De doorzoeking van de woning van verdachte heeft onrechtmatig plaatsgevonden, omdat het ontbrak aan een machtiging door de rechter-commissaris. Gelet op de omstandigheden van het geval was dat wel nodig. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op, omdat de bij verdachte aangetroffen goederen vanwege de onrechtmatige doorzoeking en inbeslagname ‘food of the poisonous tree’ zijn. Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen geldbedragen, de hard- en softdrugs en de wapens (feiten 2, 3, 4 en 5).
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt vast dat [aangever] aangifte heeft gedaan van een straatroof. [medeverdachte] heeft verdachte aangewezen als één van de daders van de straatroof. Deze verklaring wordt echter niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Hierdoor wordt niet aan het bewijsminimum voldaan. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.
Feit 2, 3, 4 en 5:
Rechtmatigheid doorzoeking woning
De rechtbank stelt vast dat op 25 juni 2024 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte op basis van artikel 49 WWM. Dit artikel geeft opsporings-ambtenaren de bevoegdheid om elke plaats te doorzoeken waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn. Anders dan de raadsman bepleit, is hiervoor geen rechterlijke toetsing vooraf nodig. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat na het aantreffen van de hennep contact had moeten worden gezocht met een rechter-commissaris omdat op dat moment sprake was van de ontdekking van een nieuw strafbaar feit op heterdaad (artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)), overweegt de rechtbank dat het op enig moment aantreffen van verdovende middelen tijdens een doorzoeking op zichzelf niet afdoet aan de zelfstandige doorzoekingsbevoegdheid die artikel 49 WWM biedt. Nu voorts kort na het aantreffen van de hennep alsnog een rechter-commissaris is ingeschakeld, is de rechtbank van oordeel dat de doorzoeking in de woning van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
Feit 2
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het witwassen van € 11.950,00 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft over het geldbedrag dat op zijn slaapkamer is aangetroffen (€ 1.515,00) een voldoende concrete en verifieerbare, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke, verklaring afgelegd.
Het geldbedrag ter hoogte van € 10.435,00 lag in een kluis in de schuur van de woning. Er stonden meerdere mensen op het adres van de woning ingeschreven en op basis van het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van het geldbedrag in de schuur. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit feit vrij.
Feit 3, 4 en 5
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het opzettelijk aanwezig hebben van GHB, omdat deze stof niet door het NFI is onderzocht (feit 3). Op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank het overige onder feit 3 en de feiten 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
3
op 25 juni 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 190,9 gram cocaïne,
- 1880 amfetaminepillen (3,4-methyleendioxymethamfetamine),
- 32,2 gram MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) zijnde cocaïne en/of MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
op 25 juni 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 3218 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
5
hij op of omstreeks 25 juni 2024 te [plaats] ,
- terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, wapens van categorie IV, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten wapenstokken, voorhanden heeft gehad, en
- munitie van categorie III onder van de Wet wapens en munitie, te weten 37 centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 197 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd dienen de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Daarnaast dient te worden opgelegd een taakstraf van 180 uur.
Het voorhanden hebben van een wapenstok is een overtreding en daarvoor vraagt de officier van justitie artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid hard- en softdrugs, twee wapenstokken en munitie. Dit lag allemaal in de woning waar verdachte verbleef. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in drugs vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten. Dit is dan ook de reden dat op het plegen van drugsfeiten strenge straffen staan. Ditzelfde geldt voor het hebben van wapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt immers een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zeer kort voor het plegen van deze feiten, te weten op 7 juni 2024, is veroordeeld voor een drugsfeit. Hier heeft verdachte kennelijk niet van geleerd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in het advies van 4 december 2025 geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest, een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden en een taakstraf. De Raad voor de Kinderbescherming maakt zich zorgen over de morele ontwikkeling van verdachte. Daarnaast is een grote zorg het ontbreken van een positieve, structurele dagbesteding in de vorm van werk en/of onderwijs en het ontbreken van zicht op de sociale contacten van verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als midden tot hoog. Om dit te verlagen moet verdachte een positieve en structurele dagbesteding krijgen en moet er zicht komen op zijn sociale contacten.
Volgens de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak voor de straftoemeting voor minderjarigen is het uitgangspunt bij het aanwezig hebben van 30 gram softdrugs een taakstraf van 40 uur. Bij het aanwezig hebben van 25 gram harddrugs of 50 pillen is het uitgangspunt een taakstraf van 100 uur. Verdachte had echter veel meer in zijn bezit en ook nog twee wapenstokken en munitie. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en het grote herhalingsgevaar tevens een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen.
Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van 107 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden en legt dit aan verdachte op. Aan de proeftijd worden de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden opgelegd, te weten het meewerken aan de hulpverlening die door de Reclassering noodzakelijk wordt geacht, gericht op het verkrijgen van een passend verblijfadres; het geven van inzicht in zijn sociale contacten en het hebben en houden van een positieve en structurele dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 100 uur passend en legt dit ook aan verdachte op.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 31.712,75 voor feit 1, bestaande uit € 30.000,00 aan immateriële schade en € 1.712,75 aan materiële schade.
Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.Het beslag

8.1
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het geldbedrag ter hoogte van € 1.515,00 aan verdachte, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.
8.2
De teruggave aan de rechthebbende
Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 10.435,00 wordt een last gegeven tot teruggave aan een ander dan degene bij wie dit in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8.3
De verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen drugs worden verbeurd verklaard. Deze zijn hiervoor vatbaar.
8.4
De onttrekking aan het verkeer
Het in beslag genomen slagwapen wordt onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat voorwerp te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet en artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 3:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod;
feit 5:handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie,
meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Jeugddetentie
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentie van 107 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaarde:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte meewerkt aan de hulpverlening die door de Reclassering noodzakelijk wordt geacht, gericht op het verkrijgen van een passend verblijfadres;
* dat verdachte inzicht geeft in zijn sociale contacten;
* dat verdachte een positieve en structurele dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs en/of werk;
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt Reclassering Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Werkstraf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf inhoudende
een werkstraf van 100 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
50 dagen;
Beslag
Teruggave aan verdachte
- gelast de
teruggave aan verdachtevan het inbeslaggenomen voorwerp, te weten
€ 1.515,00(omschrijving: PL2000-2023133887-G2741158):
Teruggave aan rechthebbende
- gelast de
teruggave aan de rechthebbendevan het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
€ 10.435,00(omschrijving: PL2000-2023133887-G2741214);
Verbeurdverklaring
-
verklaart verbeurdde op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd vanaf 1 tot en met 42;
Onttrekking aan het verkeer
-
verklaart aan het verkeer onttrokkenhet volgende voorwerp: 1 STK Slagwapen (omschrijving: wapenstok);
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R. de Jong en mr. N. van der Hoeven, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2025.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 29 mei 2023 te Kruisland, gemeente Steenbergen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van
-kleding,
-een hoofdtelefoon,
-een sleutelbos,
- een creditcard en/of
- een ID-kaart,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door
- af te spreken met die [aangever] op een afgelegen locatie,
- met een of meer personen met bivakmutsen op op die [aangever] af te lopen en/of die [aangever] te omsingelen,
- die [aangever] de woorden toe te voegen 'Kom de bosjes in', 'Open je bank-app', 'Kleed je uit', 'Blijf een kwartier zo liggen voordat je gaat', en/of 'Geen politie anders pakken we je hele familie', althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [aangever] en/of op die [aangever] te richten en/of op/tegen het hoofd van die [aangever] te zetten, en/of
- die [aangever] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of andere lichaamsdelen te schoppen en/of slaan;
(art. 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art. 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 25 juni 2024, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) 11.950 euro, althans een of meer voorwerpen,
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen)
misdrijf;
(art. 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 25 juni 2024 te [plaats] , opzettelijk opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-190,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
-1880 amfetaminepillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine),
-323,2 GHB in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB,
-32,2 gram MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of GHB en/of een ander middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art. 10 lid 4 Opiumwet, art. 2 ahf/ond B Opiumwet)
4
hij op of omstreeks 25 juni 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 3218 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art. 11 lid 2 Opiumwet, art. 3 ahf/ond B Opiumwet)
5
hij op of omstreeks 25 juni 2024 te [plaats] ,
- terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een of meer wapen(s) van categorie IV, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer wapenstok(ken), voorhanden heeft gehad, en/of
- munitie van categorie III onder van de Wet wapens en munitie, te weten 37 centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad;
(art. 26 lid 5 Wet wapens en munitie).