Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 3 mei 2024 in Dinteloord 21 gram hennep aanwezig heeft gehad. De verdachte, geboren in 2006, werd bijgestaan door raadsman mr. A.M.J. Joris. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend, en de rechtbank achtte op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring, het feit bewezen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar was, omdat er geen feiten of omstandigheden waren die zijn strafbaarheid uitsloten. De officier van justitie had een werkstraf van 30 uur gevorderd, maar de rechtbank legde een taakstraf van 15 uur op, in overeenstemming met de landelijke oriëntatiepunten voor minderjarigen. Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte zich niet in de proeftijd schuldig had gemaakt aan een nieuw feit. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.