Op 3 mei 2024 werd verdachte betrapt op het aanwezig hebben van 21 gram hennep te Dinteloord, gemeente Steenbergen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak op 9 december 2025 achter gesloten deuren. De officier van justitie achtte het ten laste gelegde feit bewezen, mede door de bekennende verklaring van verdachte. De verdediging verwees naar het oordeel van de rechtbank voor de bewezenverklaring.
De rechtbank verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hennep in bezit had en sprak hem vrij van overige tenlastegelegde feiten. Verdachte werd strafbaar geacht omdat geen omstandigheden zijn gebleken die zijn strafbaarheid uitsluiten. De officier van justitie vorderde een werkstraf van 30 uur, terwijl de verdediging een geldboete passend vond.
Gezien het eerdere drugsfeit van verdachte en de landelijke oriëntatiepunten voor minderjarigen, legde de rechtbank een taakstraf van 15 uren op, met een vervangende jeugddetentie van 7 dagen. Tevens werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen omdat het onderhavige feit na de eerdere straf was gepleegd. De uitspraak werd gedaan op 23 december 2025 door de meervoudige kamer te Breda.