ECLI:NL:RBZWB:2025:9111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
25/5484 GEMWT VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake aanlijn- en muilkorfgebod voor hond na bijtincident

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, eigenaar van een hond, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de burgemeester van Tilburg, dat zijn hond als gevaarlijk had aangemerkt en een aanlijn- en muilkorfgebod had opgelegd. Verzoeker stelde dat de hond, die vijftien maanden oud is, in een belangrijke ontwikkelingsfase verkeert en dat het dragen van een muilkorf het leerproces ernstig belemmert. Hij voerde aan dat de opgelegde maatregelen stress en frustratie bij de hond veroorzaken, wat zijn gedrag kan verergeren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet voldoende waren om aan te nemen dat er sprake was van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakte. De rechter stelde vast dat verzoeker niet had aangetoond dat de hond niet voldoende beweging kon krijgen met inachtneming van het aanlijn- en muilkorfgebod. Bovendien was de stelling dat de maatregelen ernstige gevolgen voor het welzijn van de hond hadden, niet onderbouwd. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen, omdat het spoedeisend belang ontbrak.

De uitspraak werd gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, in aanwezigheid van griffier mr. S. Constant. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5484

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

De burgemeester van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. Met het besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten dat verzoekers hond gevaarlijk is en besloten om een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
3. Verzoekers hond [naam hond] is betrokken geweest bij een bijtincident. Daarbij is letselschade en materiële schade ontstaan. De burgemeester heeft op 2 september 2025 verzoeker gemeld voornemens te zijn om [naam hond] gevaarlijk te achten en om een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. Verzoeker heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt en daarbij gewezen op een “Adviesrapport leiderschap & resocialisatie” van [bedrijf] .
3.1.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester bepaald dat verzoeker [naam hond] in de openbare ruimte en op het terrein van een ander dient aan te lijnen en te muilkorven.
3.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat [naam hond] een jonge hond is die intensieve gedragstraining volgt waarbij het dragen van een muilkorf het leerproces ernstig belemmert. Het verplicht dragen van een muilkorf leidt tot stress en frustratie bij de hond, wat zijn gedrag juist kan verergeren.
4. De griffier heeft verzoeker op 4 november 2025 verzocht om de spoedeisendheid van het treffen van een voorlopige voorziening toe te lichten.
4.1.
Verzoeker heeft op 10 november 2025 gereageerd op het verzoek van de griffier. Verzoeker heeft aangegeven dat [naam hond] vijftien maanden oud is en zich in de belangrijkste ontwikkelingsfase van zijn gedrag bevindt. De opgelegde maatregelen hebben directe en ernstige gevolgen voor het welzijn van [naam hond] , omdat hij daardoor feitelijk niet vrij kan bewegen of spelen, hetgeen stress, frustratie en gedragsproblemen veroorzaakt. De hondentrainer en toezichthouders hebben bevestigd dat [naam hond] niet agressief is. Bovendien zijn training en resocialisatie gestart. Volgens verzoeker is de maatregel onevenredig en veroorzaakt deze direct en onnodig leed.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure noodzakelijk maakt. Verzoeker heeft gesteld dat [naam hond] dagelijks beweging en spel nodig heeft om zijn energie kwijt te kunnen en stress te voorkomen, maar de voorzieningenrechter is niet gebleken dat [naam hond] die beweging niet kan krijgen mét inachtneming van het aanlijn- en muilkorfgebod. Verder constateert de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn stelling dat de maatregelen directe en ernstige gevolgen hebben voor het welzijn van [naam hond] niet nader heeft onderbouwd. Dat [naam hond] volgens het adviesrapport enkel meer sturing nodig heeft, maar niet agressief zou zijn, is in het kader van de beoordeling van het spoedeisend belang niet relevant.
5.1.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing op zijn bezwaar niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.