ECLI:NL:RBZWB:2025:9112

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
25/6317 WIA VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster afgewezen. Verzoekster had verzocht om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) na de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige maatregel. Verzoekster heeft aangegeven dat haar recht op een uitkering op grond van de Ziektewet per 25 november 2025 is beëindigd en dat zij momenteel geen andere inkomsten heeft dan zorgtoeslag en kindgebonden budget. Hoewel verzoekster een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, is de voorzieningenrechter van mening dat zij haar vaste lasten kan betalen met de ontvangen toeslagen en dat er geen financiële noodsituatie is aangetoond. De voorzieningenrechter benadrukt dat de procedure voor voorlopige voorzieningen bedoeld is om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een maatregel te treffen, en dat de spoedeisendheid daarbij een belangrijke rol speelt. Aangezien verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de bezwaarprocedure niet kan afwachten, wordt het verzoek afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6317

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. F. Kaloudis),
en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake de weigering aan haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
3. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat haar recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 25 november 2025 is beëindigd. Zij ontvangt momenteel geen andere inkomsten dan zorgtoeslag en kindgebonden budget. Verzoekster heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd, maar als deze wordt toegekend, zal dat zijn naar de kostendelersnorm aangezien verzoekster bij haar ouders inwoont. Ook het inkomen van de ouders van verzoekster is voor een groot deel weggevallen door ziekte van verzoeksters vader.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat door verzoekster de bezwaarprocedure tegen het besluit van 26 mei 2025 tot weigering van een WIA-uitkering niet kan worden afgewacht. Van een financiële noodsituatie is niet gebleken. Uit het overzicht van kosten blijkt dat verzoekster haar eigen vaste lasten kan betalen met de ontvangen toeslagen. Verder kan verzoekster een beroep doen op een bijstandsuitkering om in haar kosten van bestaan te voorzien. Verzoekster heeft die uitkering ook aangevraagd en kan in afwachting van de beslissing daarop eventueel een voorschot vragen. Dat deze uitkering door het toepassen van de kostendelersnorm mogelijk lager zal zijn dan de eerder door verzoekster ontvangen ZW-uitkering, maakt niet dat sprake is van een financiële noodsituatie. De terugval in inkomsten van de ouders van verzoekster is niet relevant voor de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.