ECLI:NL:RBZWB:2025:9113

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/1654 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering en zorgvuldigheid van het onderzoek door UWV

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025, wordt de beëindiging van de WIA-uitkering van eiser per 28 juli 2024 beoordeeld. Eiser, die eerder als assemblagemedewerker werkte, heeft psychische en lichamelijke klachten die zijn ontstaan na een auto-ongeluk en een periode van arbeidsongeschiktheid. Hij is het niet eens met de beslissing van het UWV om zijn uitkering te beëindigen en voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er geen fysiek onderzoek door de verzekeringsarts b&b heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat de bezwaargronden van eiser niet zodanig waren dat er aanleiding was voor een nieuw onderzoek. De rechtbank concludeert dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Daarnaast wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het UWV inmiddels een beslissing heeft genomen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding voor het niet tijdig beslissen, maar niet voor de beëindiging van de WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1654 WIA

uitspraak van 16 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tusse

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering per 28 juli 2024 heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is en dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. Dat deel van het beroep is ongegrond en eiser krijgt hierover dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 gaat de rechtbank in op het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Onder 5 tot en met 7 zijn de grondslag van het besluit, het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als assemblagemedewerker. Na afloop van zijn arbeidsovereenkomst ontving hij een WW-uitkering. In de periode dat hij deze uitkering ontving, is eiser op 19 augustus 2016 met psychische klachten uitgevallen. In 2017 heeft hij een auto-ongeval gehad, waar hij lichamelijke klachten aan heeft overgehouden. Per einde wachttijd, vanaf 17 augustus 2018, beschouwde het UWV eiser volledig maar niet-duurzaam arbeidsongeschikt en ontving hij een WIA-uitkering. Eiser heeft aan het UWV doorgegeven dat hij vanaf het tweede kwartaal in 2023 als zelfstandige wil gaan werken.

Procesverloop

3. Het UWV heeft bij besluit van 27 mei 2024 (primaire besluit) bepaald dat eiser vanaf 28 juli 2024 geen WIA-uitkering meer ontvangt, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.1
Eiser heeft het UWV laten weten dat hij niet instemt met een verlenging van de beslistermijn in bezwaar na 23 januari 2025. Op 27 januari 2025 heeft eiser het UWV in gebreke gesteld voor het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Eiser heeft op 5 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
3.2
Het UWV heeft bij besluit van 10 maart 2025 (bestreden besluit) de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit alsnog ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en de rechtbank heeft de beroepsprocedure voortgezet. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich door [naam] laten vertegenwoordigen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet tijdig beslissen op bezwaar
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar, omdat hierover bij het bestreden besluit inmiddels wel is beslist. Daarom is het beroep – voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit – niet ontvankelijk.
Bestreden besluit
5. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dat geheel aan het beroep tegemoet komt. Hiervan is geen sprake, omdat in het bestreden besluit de intrekking van de WIA-uitkering per 28 juli 2024 in stand blijft.
5.1
Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
7. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
8. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
8.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier van eiser bestudeerd en heeft eiser psychisch en lichamelijk onderzocht tijdens het spreekuur. De verzekeringsarts heeft vervolgens een psychiater verzocht om eiser te onderzoeken in het kader van een psychiatrische expertise. De psychiater heeft gerapporteerd en als diagnose gesteld een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met paranoïde en antisociale persoonlijkheidstrekken.
De verzekeringsarts heeft deze diagnose overgenomen. Tevens is er sprake van chronische pijnklachten. Volgens de verzekeringsarts zijn er voldoende aanwijzingen voor een afgenomen psychische belastbaarheid. Er gelden voor eiser beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en het sociaal functioneren.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd. Die heeft het dossier bestudeerd, inclusief het bezwaarschrift en de aanvullende gronden. Volgens de verzekeringsarts b&b heeft de verzekeringsarts voldoende onderzoek verricht. Er is een anamnese afgenomen met aandacht voor de ervaren klachten, het beloop, de behandeling en het dagelijks functioneren. Daarnaast heeft de verzekeringsarts een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De door eiser in bezwaar aangevoerde aanvullende beperkingen neemt de verzekeringsarts b&b niet over. De verzekeringsarts b&b heeft de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) wel enigszins aangepast. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de FML van 6 maart 2025.
8.2.
Eiser is het niet eens met het medisch oordeel van het UWV. Hij verwijst voor zijn nek- en schouderklachten naar de beoordeling per einde wachttijd en geeft aan dat zijn medische toestand en beperkingen in 2024 niet anders waren. Hij stelt dat hij niet alleen voor zware fysieke belasting beperkt is en er zijn volgens eiser te weinig beperkingen opgenomen in categorie 1 tot en met 6 van de FML. Dat hij probeert om als zelfstandige aan het werk te gaan, betekent niet dat eiser daarmee minder beperkingen heeft. Er heeft in bezwaar ten onrechte geen fysiek onderzoek door de verzekeringsarts b&b plaatsgevonden. In zijn aanvullende gronden overlegt eiser meerdere rapporten. Eiser verzoekt de rechtbank om een deskundigenonderzoek te gelasten door het benoemen van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder zijn psychische klachten en de lichamelijke beperkingen door pijnklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
8.4.
Volgens eiser had hij ook in bezwaar door de verzekeringsarts b&b opgeroepen moeten worden voor een spreekuur. Nu dat niet gebeurd is, stelt eiser mede daarom dat het onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest.
Bij de beoordeling van deze beroepsgrond neemt de rechtbank de vaste jurisprudentie [1] in aanmerking. Hieruit volgt dat – als betrokkene in de primaire fase niet is onderzocht door een verzekeringsarts – in de bezwaarfase wel een spreekuurcontact met een verzekeringsarts moet plaatsvinden. Kortom: eiser moet in de primaire fase of in de bezwaarfase tenminste één keer bij een verzekeringsarts voor het spreekuur worden opgeroepen. Dat is bij eiser in de primaire fase ook gebeurd. De verzekeringsarts heeft eiser hierbij ook fysiek onderzocht en de rechtbank vindt de verrichte onderzoekhandelingen passend bij de inhoud van het medisch dossier van eiser, de anamnese en zijn klachten en beperkingen.
Naar het oordeel van de rechtbank waren de bezwaargronden van eiser niet zodanig onderbouwd met medische stukken dat de verzekeringsarts b&b hierin aanleiding had moeten zien voor het verrichten van een nieuw lichamelijk onderzoek. Bovendien heeft eiser pas in beroep aanvullende medische informatie van de medisch adviseur uit 2020 in een letselschadeprocedure en informatie van de chiropractor overgelegd. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet onzorgvuldig dat de verzekeringsarts b&b in bezwaar van een tweede fysiek onderzoek heeft afgezien. De informatie uit de letselschadeprocedure ziet bovendien op 2020, terwijl de datum in geding in deze procedure 28 juli 2024 is. Hieruit vloeit geen noodzaak voor een fysiek spreekuurcontact bij de verzekeringsarts b&b voort. De informatie van de chiropractor brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. De betreffende behandeling is van dezelfde aard als een behandeling door bijvoorbeeld een fysiotherapeut en dat is geen omstandigheid die op zichzelf leidt tot een noodzaak voor een nieuw spreekuur bij de verzekeringsarts b&b.
8.5.
Er zijn door het UWV voor eiser zowel psychische als fysieke beperkingen aangenomen. Ter zake de psychische beperkingen heeft eiser in beroep medische informatie van Het Dok en Fivoor ingediend. Bij de beoordeling stelt de rechtbank vast dat de door Het Dok (in 2017) gestelde diagnose een werkdiagnose is, waarvoor nog nader onderzoek noodzakelijk is. In de rapportage van Fivoor (uit 2018) is ook aangegeven dat een psychotische stoornis aannemelijk is, maar dat deze vooralsnog niet vast te stellen is. Eiser heeft te veel afspraken gemist om het classificerende onderzoek af te ronden. De door het UWV ingeschakelde psychiater was bekend met deze informatie. In het expertiserapport is het onderzoek bij Fivoor ook aangehaald, is een psychiatrische beschouwing opgenomen en zijn de door de verzekeringsarts gestelde vragen beantwoord. De verzekeringsarts heeft de door de psychiater aangegeven diagnose en aandachtspunten voor werk overgenomen en vertaald naar beperkingen.
Eiser heeft verder nog aangevoerd dat in het expertiserapport niet opgenomen is dat hij ook Risperidon, Tramadol en Quetiapine als medicatie gebruikt en dat dit invloed gehad zou kunnen hebben op de bevindingen van de psychiater. Het is de rechtbank bekend dat deze medicatie voorgeschreven wordt bij onder meer psychosen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd hierover verklaard dat hij de medicatie af en toe gebruikt en dat hij hier dan baat bij heeft. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de door het UWV ingeschakelde psychiater. De rechtbank ziet in de overgelegde medische informatie dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsarts b&b in de beoordeling bepaalde punten op het psychische aspect gemist heeft of onvoldoende beperkingen heeft aangenomen.
8.6.
Ter zake de door eiser in beroep ingediende medische informatie voor zijn lichamelijke beperkingen oordeelt de rechtbank als volgt. De rapportage van de medisch adviseur in het kader van de letselschadeprocedure heeft betrekking op een ander beoordelingskader en ziet ook op een andere periode dan de datum in geding. De verzekeringsarts heeft eiser bovendien fysiek onderzocht, terwijl deze rapportage enkel op dossieronderzoek is gebaseerd. Dat eiser aan het auto-ongeval in 2017 nek- en rugklachten heeft overgehouden, was de verzekeringsarts bekend. Bij het onderzoek zijn, behalve gespannen nekspieren, geen andere afwijkingen of beperkingen aan de nek geconstateerd. De informatie van chiropractor bestaat bovendien grotendeels uit afsprakenkaarten en objectiveert onvoldoende dat eiser meer beperkingen zou hebben. Eiser heeft ook informatie van het ziekenhuis ingediend. Een deel van die informatie ziet echter op een recent ongeval en dus van na de datum in geding. De rest van de informatie ziet op een ingreep in de buik, kneuzingen aan de rug en het bovenbeen en een bijholte-ontsteking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee onvoldoende geobjectiveerd dat de verzekeringsartsen meer beperkingen hadden moeten aannemen.
8.7.
Niet gebleken is dat in de FML van 6 maart 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
9. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten, SBC-code 111180), Productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en Controleur, tester elektrotechnische apparatuur (SBC-code 267060).
9.1.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe stelt hij dat de arbeidsdeskundige b&b er ten onrechte van uitgaat dat in de geduide functies de auditieve en/of visuele prikkels voldoende gecompenseerd kunnen worden met respectievelijk een koptelefoon en schermen. Naar het oordeel van de rechtbank geven de beroepsgronden van eiser geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Specifiek ter zake de beroepsgrond over de auditieve en/of visuele prikkels is in de verschillende functiebeschrijvingen van de resultaat functiebeoordeling voldoende gemotiveerd dat de geduide werksituaties geen hectische werksituaties zijn. Dat betekent niet dat de werkomgevingen ook volledig vrij zijn van mensen, geluid en dergelijke. Maar dat hoeft ook niet; daar ziet de beperking niet op. Het gaat erom of de werkomgeving al dan niet te hectisch is voor eiser. Het UWV heeft ter zitting ook toegelicht dat de verschillende werkplekken van de geduide functies door een arbeidskundig analist fysiek zijn beoordeeld. Deze functionaris van het UWV bezoekt bedrijven en maakt naar aanleiding daarvan de functiebeschrijvingen op. De rechtbank ziet dan ook geen reden om eraan te twijfelen dat het gebruik van een koptelefoon mogelijk is. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om een arbeidsdeskundige als deskundige te benoemen.
9.2.
Verder verwijst eiser naar de in bezwaar aangevoerde arbeidskundige gronden. In de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b is daar al op ingegaan. Aangezien eiser in de beroepsgronden niet aangeeft waarom hij het niet eens is met de weerlegging van die gronden door de arbeidsdeskundige b&b ziet de rechtbank ook geen aanleiding om daar nu nog apart op in te gaan.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
10. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser 18,30% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
10.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 28 juli 2024 heeft vastgesteld op 18,30%
.Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht beëindigd per 28 juli 2024.

Conclusie en gevolgen

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.
11.1
Voor zover het beroep gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit is het beroep niet-ontvankelijk. Omdat het bestreden besluit pas is genomen na het ingestelde beroep, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden bepaald op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 0,5).
11.2
Het beroep, voor zover gericht tegen de beëindiging van de WIA-uitkering, is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert. Omdat dit deel van het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser hiervoor geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 10 maart 2025 ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,00 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 16 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:5012.