In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025, wordt de beëindiging van de WIA-uitkering van eiser per 28 juli 2024 beoordeeld. Eiser, die eerder als assemblagemedewerker werkte, heeft psychische en lichamelijke klachten die zijn ontstaan na een auto-ongeluk en een periode van arbeidsongeschiktheid. Hij is het niet eens met de beslissing van het UWV om zijn uitkering te beëindigen en voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er geen fysiek onderzoek door de verzekeringsarts b&b heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat de bezwaargronden van eiser niet zodanig waren dat er aanleiding was voor een nieuw onderzoek. De rechtbank concludeert dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Daarnaast wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het UWV inmiddels een beslissing heeft genomen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding voor het niet tijdig beslissen, maar niet voor de beëindiging van de WIA-uitkering.