Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV betreffende haar WIA-uitkering en stelt dat het UWV niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Nadat eiseres het UWV op 5 september 2025 in gebreke stelde, bleef een besluit uit, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Het UWV gaf aan dat de vertraging is veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen en een achterstand in het inplannen van spreekuren, zonder een concrete termijn voor besluitvorming te kunnen noemen.
De rechtbank stelt dat het belang van een zorgvuldige besluitvorming een langere termijn dan de standaard twee weken rechtvaardigt, maar acht vier maanden een redelijke termijn voor het UWV om alsnog te beslissen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres, omdat het beroep gegrond is verklaard en de procedure zich beperkte tot de vraag over de overschrijding van de beslistermijn.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 22 december 2025.