ECLI:NL:RBZWB:2025:9122
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van naheffingsaanslagen dividendbelasting en de kwalificatie van belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde
Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de naheffingsaanslagen dividendbelasting die aan belanghebbende zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde van de ontvangen dividenden kan worden aangemerkt, in het licht van artikel 4, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965. De inspecteur van de Belastingdienst heeft de naheffingsaanslagen opgelegd, omdat hij van mening is dat aan de voorwaarden van de wet is voldaan. Belanghebbende, een in [land] gevestigd pensioenfonds, heeft in de jaren 2013 tot en met 2018 dividenden ontvangen en heeft deze belasting teruggevraagd. De inspecteur heeft echter betoogd dat de teruggaven onterecht zijn verleend en heeft de belasting nageheven. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur behandeld en vastgesteld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen heeft opgelegd en de belastingrente in rekening heeft gebracht. De beroepen van belanghebbende zijn ongegrond verklaard.