ECLI:NL:RBZWB:2025:9122

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 21/4144 t/m 21/4146, 24/1636, 24/1638, 24/1639, 24/1641 tm 24/1645
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslagen dividendbelasting en de kwalificatie van belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de naheffingsaanslagen dividendbelasting die aan belanghebbende zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde van de ontvangen dividenden kan worden aangemerkt, in het licht van artikel 4, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965. De inspecteur van de Belastingdienst heeft de naheffingsaanslagen opgelegd, omdat hij van mening is dat aan de voorwaarden van de wet is voldaan. Belanghebbende, een in [land] gevestigd pensioenfonds, heeft in de jaren 2013 tot en met 2018 dividenden ontvangen en heeft deze belasting teruggevraagd. De inspecteur heeft echter betoogd dat de teruggaven onterecht zijn verleend en heeft de belasting nageheven. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur behandeld en vastgesteld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen heeft opgelegd en de belastingrente in rekening heeft gebracht. De beroepen van belanghebbende zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/4144 tot en met 21/4146, 24/1636, 24/1638, 24/1639, 24/1641 tot en met 24/1645

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2025 in de zaken tussen

[belanghebbende], gevestigd te [plaats] ( [land] ), belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Sanders),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 augustus 2021 en 12 december 2023. In die uitspraken heeft de inspecteur de aan belanghebbende op 1 december 2020, 20 december 2021 en 9 december 2022 opgelegde naheffingsaanslagen dividendbelasting gehandhaafd. Bij de naheffingsaanslagen is ook belastingrente in rekening gebracht. In de bezwaarfase is de in rekening gebrachte belastingrente gedeeltelijk verminderd.
1.1.
Tegen de voornoemde beslissingen van de inspecteur heeft belanghebbende beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] , vergezeld door [tolk] als tolk, en als gemachtigde van belanghebbende: mr. M. Sanders, mr. [gemachtigde 1] , mr. dr. [gemachtigde 2] , mr. [gemachtigde 3] en mr. [gemachtigde 4] . Namens de inspecteur zijn ter zitting verschenen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] en drs. [inspecteur 5] .
1.3.
Van hetgeen ter zitting is besproken, is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen dividendbelasting terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Daartoe is in geschil of belanghebbende kwalificeert als uiteindelijk gerechtigde van de in de jaren 2013 tot en met 2018 ontvangen dividenden. Meer specifiek is in geschil of aan de vereisten van artikel 4, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) is voldaan.
3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat aan de in artikel 4, zevende lid, van de Wet DB gestelde voorwaarden is voldaan en belanghebbende daarom niet als uiteindelijk gerechtigde van de dividenden kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen dividendbelasting zodoende terecht aan belanghebbende opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een in [land] gevestigd pensioenfonds.
4.1.
In het document ‘Documentation of derivative strategies approved by the investment risk committee’ van 10 december 2013 van belanghebbende, staat (voor zover relevant) het volgende:

“Derivative Strategy: Equity Finance Strategy

[Belanghebbende] does not pay withholding tax in some jurisdictions where other institutions do pay. Short-term transactions can be entered into where [belanghebbende] receives the dividend and pays no withholding tax. [Belanghebbende] will earn an amount equal to a small percentage of the dividend - a percentage less than the withholding tax, and the remaining dividend amount is paid to the other entity. The strategy involves purchasing foreign stocks prior to the payment of dividends. Shortly after the dividend is received the stock is sold. The market risk is hedged during the holding period using an equity swap or a deep-in-the money European call option. [Belanghebbende] will receive a percentage of the dividend and this is priced into the derivative. The time horizon for dividend recapture trades is normally short, ranging from about a week for option trades and no longer than a month for swaps.”
Dezelfde tekst is terug te vinden in de overgelegde versies van dat document met de data 9 december 2014, 30 november 2015, 14 december 2016 en 14 december 2017.
4.2.
Belanghebbende heeft in de jaren 2013 tot en met 2018 Nederlandse beursaandelen ‘over the counter’ aangekocht via brokers. Belanghebbende hield die aandelen een korte periode aan, namelijk tot over ‘record date’, waardoor zij dividenden op de aandelen ontving. Na record date verkocht belanghebbende de aandelen weer via een broker. Gelijktijdig met de aankoop van de aandelen kwam belanghebbende ‘price return swaps’ overeen, die na record date werden afgewikkeld.
4.3.
In het kader van de uitvoering van de equity finance strategy, heeft belanghebbende gecorrespondeerd met contactpersonen bij diverse banken. In die correspondentie is onder meer het volgende te lezen:
Op 5 januari 2018 bericht de “ [functietitel 1] ” van de [bank 2] aan de [functietitel 2] (de [functietitel 1] ) van belanghebbende:
“Hello [persoon 3] , we are looking forward to another successful year in yield enhancement.
Just checking in on what you’re thinking for the year. Do you think you’ll do (…) and Netherlands? (…) And, if Netherlands is good to go, we can be back shortly with UNA NA and a RDSA NA shows. Thoughts?”
Op 24 januari 2018 bericht een medewerker van de Securities Division van [bank 3] aan de [functietitel 1] van belanghebbende:
“Would these […] dates work for you? Realise that is trading today
[…]
Then indicatively for the Dutch
BID RDSA NA UNA NA UNA NA
Quantity 25,000,000 10,000,000 10,000,000
Trade Date Mon 12-Feb-18 Fri 02-Feb-18 Mon 05-Feb-18
Settle Date Wed 14-Feb-18 Tue 06-Feb-18 Wed 07-Feb-18
Unwind Date Mon 19-Feb-18 Fri 09-Feb-18 Mon 12-Feb-18
Settle Date Wed 21-Feb-18 Tue 13-Feb-18 Wed 14-Feb-18
Thanks, […]”
De [functietitel 1] van belanghebbende reageert daar diezelfde dag op:
“Think feb 12 is cad holday. All others fine”.
Op 24 mei 2019 hebben de “ [functietitel 1] ” (P) van de [bank 2] en de [functietitel 1] van belanghebbende (S) de volgende conversatie:
P: Hi [persoon 3] , another show on swap. We have 4.5mm shares ofthis name to go at 94 if you care. […]
S: Unfortunately that level doesn’t work.
P: Ok – I guess same question here. Can I ask what does work?
S: 88 do not close
P: Ouch… we aren’t even close. Ok.
S: Reclaim risk. I’m not doing NL over90 anymore.
P: Got it
4.4.
Tot het dossier behoort ook correspondentie tussen belanghebbende en [broker] (een broker) inzake aandelen Binck die niet geleverd kunnen worden. Op 23 juli 2013 mailt een medewerker van belanghebbende aan de [functietitel 1] van belanghebbende:
“ [broker] is short to deliver BINCK NA, as they are still pending to receive from another CP (which is short).”
Vervolgens mailt een medewerker van [bank 1] aan de [functietitel 1] van belanghebbende op 26 juli 2013:
“If binck fails we will rerate swap (…)”
4.5.
Belanghebbende heeft vanaf het jaar 2015 tot en met 2019 dividendbelasting teruggevraagd over de in de jaren 2013 tot en met 2018 ontvangen dividenden. De inspecteur heeft naar aanleiding van die verzoeken in eerste instantie teruggaven van dividendbelasting verleend, in totaal voor een bedrag van € 213.522.106.
4.6.
Naar aanleiding van een nieuwsbericht waarin belanghebbende in verband werd gebracht met dividendstripping met buitenlandse aandelen, heeft de inspecteur vragen aan belanghebbende gesteld over de transacties met de Nederlandse beursaandelen.
4.7.
De inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat aan belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting zijn verleend. De inspecteur heeft daarop de eerder teruggegeven dividendbelasting bij belanghebbende nageheven. Bij de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur ook belastingrente in rekening gebracht.
4.8.
Na bezwaar luiden de naheffingsaanslagen en in rekening gebrachte belastingrente als volgt:
Dagtekening naheffingsaanslag
Tijdvak (jaar van inhouding)
Laatste cijfers aanslagnummer
Dividendbelasting
Belastingrente
1 dec 2020
2013
[nummer 1]
€ 25.615.438,50
€ 6.256.457
1 dec 2020
2014
[nummer 2]
€ 25.404.934
€ 5.252.357
1 dec 2020
2015
[nummer 3]
€ 16.394.160
€ 2.733.653
20 dec 2021
2013
[nummer 4]
€ 403.728
€ 86.150
20 dec 2021
2014
[nummer 5]
€ 7.664.794,50
€ 1.278.875
20 dec 2021
2015
[nummer 6]
€ 5.581.650
€ 708.035
9 dec 2022
2013
[nummer 7]
€ 541.650
€ 110.875
9 dec 2022
2015
[nummer 8]
€ 4.015.587,10
€ 832.252
9 dec 2022
2016
[nummer 9]
€ 31.072.353
€ 6.808.717
9 dec 2022
2017
[nummer 10]
€ 51.062.463,57
€ 9.061.426
9 dec 2022
2018
[nummer 11]
€ 45.725.852,41
€ 7.112.489

Motivering

5. Voordat de rechtbank overgaat tot beoordeling van de naheffingsaanslagen, gaat zij allereerst in op het verzoek van de inspecteur dat betrekking heeft op een aantal zwartgelakte passages in de door hem overgelegde stukken. De inspecteur heeft ten aanzien van die zwartgelakte passages de rechtbank verzocht om beperkte kennisneming [1] . Dat houdt in dat de rechtbank wel van de ongeschoonde stukken kennis zou mogen nemen, maar belanghebbende niet. Belanghebbende heeft aangegeven toestemming te geven voor beperkte kennisneming. De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de geschoonde en ongeschoonde stukken, en de toelichting van de inspecteur op het verzoek om beperkte kennisneming. De rechtbank is van oordeel dat beperkte kennisneming in dit geval is gerechtvaardigd. Dat betekent dat de rechtbank ook op grond van de stukken waarvoor is verzocht om beperkte kennisneming, uitspraak kan doen [2] .
5.1.
Vervolgens gaat de rechtbank over tot beoordeling van de naheffingsaanslagen. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen is tussen partijen uitsluitend in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde van de door haar ontvangen dividenden. Niet in geschil is dat belanghebbende kwalificeert als opbrengstgerechtigde tot de dividenden.
5.2.
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de bewijslast dat belanghebbende niet kwalificeert als uiteindelijk gerechtigde van de ontvangen dividenden, rust op de inspecteur. De inspecteur doet een beroep op artikel 4, zevende lid, van de Wet DB. Het is zodoende aan hem om aannemelijk te maken dat aan de cumulatieve voorwaarden van dat artikellid is voldaan.
5.3.
Artikel 4, zevende lid, van de Wet DB luidt als volgt:
“7. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge artikel 10 (of artikel 10a [3] ), alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan:
1. een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ten aanzien van wie inhouding niet achterwege mag blijven, terwijl dit ten aanzien van degene die de tegenprestatie heeft verricht wel mag, of
2. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en
b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.”
5.4.
Partijen verschillen van mening of (i) sprake is van een samenstel van transacties, (ii) belanghebbende in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht en (iii) de buitenlandse wederpartijen een positie in de aandelen hebben behouden of verkregen die vergelijkbaar is met diens positie in soortgelijke aandelen voorafgaand aan het samenstel van transacties.
5.5.
De inspecteur beantwoordt die vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend. Primair ontbreekt volgens belanghebbende circulariteit bij alle transacties, en subsidiair geldt dat voor een deel van de transacties, namelijk (een gedeelte van) de transacties die niet door de inspecteur in kaart zijn gebracht, aldus belanghebbende.
5.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zij acht aannemelijk dat de 445 in geschil zijnde transacties uitvoering geven aan de door belanghebbende beschreven “equity finance strategy” (zie 4.1). Met die strategie heeft belanghebbende gebruik willen maken van haar teruggaafpositie van dividendbelasting. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat ten aanzien van de transacties steeds een gelijke handelswijze werd gevolgd. Eerst werden de aandelen door belanghebbende (via een broker) van de buitenlandse wederpartijen aangekocht en gelijktijdig werd een price return swap aangegaan. Vervolgens, na record date, werden de aandelen verkocht en de price return swaps afgewikkeld. De door de inspecteur 379 afzonderlijk in kaart gebrachte transacties bevestigen dat beeld.
Naast het feit dat de transacties uniform zijn vormgegeven, was de prijs voor de afwikkeling van de price return swap steeds gelijk aan de verkoopprijs van de aandelen, en verder werden vooraf de beoogde transacties met de betreffende wederpartijen besproken en gepland (zie 4.3).
5.7.
De rechtbank acht ook aannemelijk dat de aan- en verkoop van de aandelen steeds plaatsvond met dezelfde buitenlandse wederpartij als waarmee de price return swaps werden aangegaan, gelet op de in dat verband door de inspecteur overgelegde stukken. Dat de transacties plaatsvonden met tussenkomst van een broker, doet daar niet aan af. Juist uit de informatie die de inspecteur vergaard heeft van brokers blijkt dat van dezelfde partijen aandelen zijn gekocht als waarmee de price return swaps zijn afgesloten. Uit de door belanghebbende gevoerde emailcorrespondentie met de medewerkers van de buitenlandse wederpartijen (zie 4.3) blijkt bovendien dat steeds maar enkele voorwaarden in de transacties ter discussie stonden, zoals het aantal aandelen per transactie en de verdeling van de (nog terug te ontvangen) dividendbelasting. Dat een contractueel verband tussen de aandelen(ver)koop en price return swaps, zoals belanghebbende betoogt, ontbreekt, staat niet aan het aannemen van circulariteit in de weg. Ook het betoog van belanghebbende dat uit de prijsstelling niet volgt dat circulair is gehandeld, gaat niet op. De prijsstelling is in dit geval juist een indicatie dat de circulariteit van de transacties naar het oordeel van de rechtbank bevestigt [4] .
5.8.
Hoewel de inspecteur niet voor alle transacties separaat een onderbouwing heeft geleverd voor de exacte handelswijze is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur wel aannemelijk heeft gemaakt dat alle transacties eenzelfde handelspatroon hebben gevolgd. De rechtbank wijst in dat verband onder meer op de algemene strategie van belanghebbende, het door de inspecteur uitgebreid onderbouwde terugkerende handelspatroon en de omstandigheid dat met belanghebbende op voorhand in brede zin afspraken werden gemaakt over de uit te voeren transacties met het oog op de door haar aan te wenden liquiditeit. Gelet op die feiten en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de beschreven handelswijze voor alle transacties is toegepast. Belanghebbende heeft daarbij in het kader van haar betwisting van de stelling van de inspecteur ook niet concreet gemotiveerd welke andersoortige transacties zich voordeden waaruit een ander handelspatroon valt af te leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voor alle in geschil zijnde transacties aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een samenstel van transacties.
5.9.
Verder acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat, zoals artikel 4, zevende lid, van de Wet DB verlangt, belanghebbende een tegenprestatie heeft verricht. Die tegenprestatie bestaat uit een dividendvervangende betaling aan haar wederpartijen. De aankoop van de aandelen van de wederpartijen, vóór record date, is namelijk geschied voor een koopprijs waarin de waarde van het nog uit te keren bruto dividend is verdisconteerd. Op hetzelfde moment is een price return swap afgesloten met dezelfde wederpartij, waardoor de (soortgelijke) aandelen na dividenddatum worden teruggeleverd aan de wederpartij voor een prijs overeenkomend met de marktwaarde van de aandelen ex dividend, verhoogd met een vergoeding voor de werkzaamheden in verband met het te incasseren dividend.
De rechtbank wijst in dat kader eveneens op de door belanghebbende beschreven ‘equity finance strategy’ en de emailberichten weergegeven onder 4.3. Door de met elkaar samenhangende transacties (aan- en verkoop van de aandelen en de price return swaps) wordt aan de buitenlandse wederpartij, die door middel van de price return swap haar belang bij de aandelen heeft behouden, per saldo een bedrag vergoed dat overeenkomt met het bedrag van het uit te keren netto dividend, verhoogd met een deel van de op de dividenduitkering ingehouden dividendbelasting. Deze vergoeding kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als de in artikel 4, zevende lid Wet DB bedoelde tegenprestatie.
5.10.
Met hetgeen de inspecteur daartoe heeft aangevoerd, acht de rechtbank de inspecteur zodoende geslaagd in zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat ten aanzien van alle 445 transacties waarop de naheffingsaanslagen zien sprake is van (i) een samenstel van rechtshandelingen, (ii) belanghebbende in dat kader een tegenprestatie heeft verricht en (iii) de buitenlandse wederpartijen een positie in de aandelen hebben behouden of verkregen als bedoeld in artikel 4, zevende lid van de Wet DB.
Gelet op dit oordeel slaagt het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van belanghebbende, te weten dat slechts ten aanzien van (een aantal van) de door de inspecteur in kaart gebrachte transacties sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, ook niet.
In mindere mate gerechtigd tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting
5.11.
Partijen verschillen verder van mening of aan het vereiste dat de buitenlandse wederpartijen van belanghebbende “in mindere mate gerechtigd zijn tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting” wordt voldaan. In dat kader is allereerst de uitleg van dat vereiste tussen partijen in geschil. Belanghebbende betoogt namelijk dat in die beoordeling niet alleen de vermindering- en teruggaafpositie van de buitenlandse wederpartijen van belang is, maar ook diens verrekeningsposities.
5.12.
De rechtbank overweegt dat de wettekst van artikel 4, zevende lid van de Wet DB uitsluitend de bewoordingen “vermindering of teruggaaf van dividendbelasting” bevat. Uit de wetsgeschiedenis van dit wetsartikel leidt zij af dat die woordkeuze berust op een bewuste keuze van de wetgever [5] . De omstandigheid dat in latere passages van de wetsgeschiedenis ook over ‘verrekening’ wordt gesproken vindt naar het oordeel van de rechtbank haar oorsprong in de omstandigheid dat dan elementen van wetgeving worden besproken die ook relevant zijn voor de wettekst in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 die tegelijkertijd met de Wet DB is gewijzigd en waar wel de term ‘verrekening’ in is genoemd. Die latere vermeldingen van de term ‘verrekening’ nopen dus niet tot de conclusie dat de wetgever heeft bedoeld om de verrekeningspositie relevant te laten zijn voor de toepassing van artikel 4, zevende lid van de Wet DB. De rechtbank is daarom van oordeel dat op basis van artikel 4, zevende lid van de Wet DB (de nationale wettekst) geen rekening dient te worden gehouden met de verrekeningspositie van de buitenlandse wederpartijen.
5.13.
Voor zover belanghebbende betoogt dat deze uitleg van de nationale wet leidt tot ongeoorloofde discriminatie en belemmering van het vrij verkeer van kapitaal, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 4, zevende lid van de Wet DB maakt geen onderscheid in behandeling tussen een in Nederland gevestigde wederpartij en een in het buitenland gevestigde wederpartij. Een in Nederland gevestigde wederpartij kan op basis van de nationale wet recht op verrekening hebben, hetgeen ertoe kan leiden dat per saldo een neutralisatie van de geheven dividendbelasting wordt gerealiseerd door toepassing van de vennootschapsbelastingwetgeving. In dat geval kan een in het buitenland gevestigde wederpartij, die van deze Nederlandse faciliteiten geen gebruik kan maken, slechter worden behandeld dan de in Nederland gevestigde wederpartij. Diens verrekeningspositie in het buitenland is namelijk niet relevant. Artikel 4, zevende lid van de Wet DB strekt er toe te voorkomen dat dividendbelasting wordt teruggegeven aan niet uiteindelijk gerechtigden, en is zodoende aan te merken als een antimisbruikmaatregel. Het bestrijden van misbruik kan een grond zijn waardoor het verschil in behandeling en een belemmering van het vrij verkeer van kapitaal is gerechtvaardigd. Belanghebbende stelt echter dat in haar geval van misbruik geen sprake is, zodat voor dat verschil in behandeling geen rechtvaardiging aanwezig is. Ter onderbouwing van haar standpunt doet belanghebbende een beroep op de door het Europees Hof van Justitie gewezen arresten “Nordcurrent” [6] en “XX” [7] .
5.14.
De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende op het arrest Nordcurrent zo dat als de buitenlandse wederpartijen van belanghebbende het dividend zelf hadden ontvangen, zij de dividendbelasting zelf hadden kunnen verrekenen. Om die reden is er geen belastingvoordeel en kan van misbruik geen sprake zijn, aldus belanghebbende. Het betoog van belanghebbende gaat uit van de feitelijke veronderstelling dat haar buitenlandse wederpartijen dividendbelasting zouden kunnen verrekenen. Verrekening van dividendbelasting is echter slechts aan de orde als de buitenlandse wederpartijen van belanghebbende zijn aan te merken als de uiteindelijk gerechtigden van de dividenden. Dat dat het geval is, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het in dit kader van belanghebbende verlangd kan worden dat zij hiertoe het bewijs levert. De inspecteur is in het kader van het bestrijden van misbruik niet gehouden om de uiteindelijk gerechtigde tot dividenden te identificeren. [8] Aangezien belanghebbende zich beroept op het rechtsgevolg van het feit dat de buitenlandse wederpartijen uiteindelijk gerechtigd zijn tot bepaalde dividendopbrengsten in het kader van haar stelling dat er strijd bestaat met het Unierecht, dient zij daarvan dan ook het bewijs te leveren. De enkele stelling van belanghebbende dat dit het geval is acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Het beroep op het arrest Nordcurrent kan haar daarom niet baten.
5.15.
Het beroep dat belanghebbende doet op het arrest XX begrijpt de rechtbank zo dat belanghebbende stelt dat als haar buitenlandse wederpartijen in Nederland gevestigd zouden zijn geweest, zij een kostenaftrek gehad zouden hebben in verband met de aanschaftransacties voor de aandelen waardoor er per saldo geen belastbaar resultaat is en er dus recht op teruggaaf zou zijn ontstaan. Ook voor die situatie maakt belanghebbende echter niet aannemelijk dat de buitenlandse wederpartijen kunnen worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde van de dividenden, hetgeen de rechtbank in dat kader wel van belang acht. Immers, voor een mogelijkheid tot verrekening met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting moet de belastingplichtige ook in die hypothetische binnenlandse situatie nog wel uiteindelijk gerechtigde zijn. Daar komt nog bij dat – zoals belanghebbende zelf ook stelt – sprake is van complexe financiële transacties waarvan het de vraag is of die dusdanig zijn vormgegeven dat de aanschaftransacties ook leiden tot een naar maatstaven van Nederlands fiscaal recht aftrekbare kostenpost. Het antwoord op die vraag is niet gegeven, waarbij de rechtbank van oordeel is dat ook die bewijslast op belanghebbende rust. Het beroep op het arrest XX kan daarom ook niet slagen.
5.16.
De rechtbank verwerpt derhalve de stelling dat gelet op de verrekeningspositie van de buitenlandse wederpartijen sprake is van strijd met het Unierecht bij handhaving van de naheffingsaanslagen. Zij beoordeelt daarom uitsluitend of de buitenlandse wederpartijen in mindere mate gerechtigd zijn tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. De bewijslast daartoe rust weer op de inspecteur.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, aannemelijk maakt dat de buitenlandse wederpartijen van belanghebbende in mindere mate gerechtigd zijn tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. De rechtbank wijst in dat kader op de door belanghebbende toegelichte “equity finance strategy” en haar daarmee overeenkomende handelswijze, en hecht naast de vestigingsplaats van de wederpartijen waarde aan de met de wederpartijen afgesproken prijsstellingen. [9] De wederpartijen waren namelijk kennelijk bereid meer te betalen dan de waarde van de aandelen, minus het dividend dat tot uitkering was gekomen (ex dividend) en afgezien van transactiekosten. De rechtbank acht aannemelijk dat die prijstellingen kunnen worden verklaard door de dienst die belanghebbende verrichtte, bestaande uit het incasseren van het dividend, het, vanuit een teruggaafgerechtigde positie, (door belanghebbende) ontvangen van de op de netto-dividenden en het met buitenlandse wederpartijen delen van een deel van de terug te ontvangen dividendbelasting. De rechtbank acht hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd onvoldoende overtuigend om tot een ander oordeel te komen. Belanghebbende heeft gewezen op mogelijke verklaringen waarom de prijsstelling niets zegt over de verrekenpositie van de wederpartij, maar dat op zichzelf acht de rechtbank onvoldoende concreet toegespitst op de feiten van deze zaak tegenover de gedetailleerde uitwerking door de inspecteur.
5.18.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat aan de vereisten van artikel 4, zevende lid van de Wet DB wordt voldaan. Dat betekent dat belanghebbende niet kwalificeert als uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de ontvangen dividenden. De inspecteur heeft om die reden de eerder teruggegeven dividendbelasting terecht bij belanghebbende nageheven.
Belastingrente
5.19.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de bij de naheffingsaanslagen in rekening gebrachte belastingrente die bij de uitspraken op bezwaar (deels) is verminderd. Belanghebbende heeft in beroep geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de vastgestelde belastingrente zoals die luidt na de uitspraken op bezwaar af te wijken.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. De naheffingsaanslagen dividendbelasting en de daarbij gegeven belastingrentebeschikkingen worden, zoals die luiden na bezwaar, gehandhaafd.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. A.H.W. Steijn en mr. A. Laghmouchi, leden, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.
2.Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
3.Opgenomen vanaf 1 januari 2017.
4.Vergelijk Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:811.
6.Hof van Justitie van 3 april 2025, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239.
7.Hof van Justitie van 7 november 2024, C-782/22, ECLI:EU:C:2024:932.
8.Vgl. Hof van Justitie 26 februari 2019, C-116/16 & C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, r.o. 118.
9.Vergelijk Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:811.