Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 1.151 opgelegd door de inspecteur, die uitging van een hogere CO2-uitstoot dan door belanghebbende was opgegeven. De rechtbank heeft beoordeeld of de aanslag terecht en niet te hoog was opgelegd en of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht uitgaat van een CO2-uitstoot van 179 gr/km WLTP en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de netto catalogusprijs van het referentievoertuig uit de koerslijst Xray kan worden gebruikt voor een hogere historische nieuwprijs. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar met veertien maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding wordt gelijkelijk verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding toegekend, eveneens gelijkelijk te dragen door inspecteur en Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was bereikt.