Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €606 opgelegd door de inspecteur, die de CO2-uitstoot van een geïmporteerde Volkswagen Golf hoger stelde dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de CO2-uitstoot van de auto 181 gr/km bedraagt, hoger dan de door belanghebbende opgegeven 118 gr/km. De inspecteur heeft de historische nieuwprijs en bruto BPM op basis hiervan vastgesteld, wat belanghebbende betwistte met verwijzing naar een lagere netto catalogusprijs van een referentievoertuig. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de netto catalogusprijs van het referentievoertuig kan worden gebruikt, mede vanwege verschillen in uitvoering en CO2-uitstoot.
De naheffingsaanslag is daarmee terecht en niet te hoog opgelegd. Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaarprocedure met vijftien maanden is overschreden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 wordt toegekend, verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Tevens wordt proceskostenvergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten, en wijst het griffierecht af. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.