In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 606 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op basis van een CO2-uitstoot van 181 gr/km, terwijl belanghebbende een lagere CO2-uitstoot van 118 gr/km had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 11 november 2025, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar met vijftien maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.500, waarvan € 400 voor rekening van de inspecteur en € 1.100 voor rekening van de Staat. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel de schadevergoeding toe en vergoedt de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.