ECLI:NL:RBZWB:2025:9137

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5725
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende, een VOF, tegen de naheffingsaanslag van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.541 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) na een bezwaar dat ongegrond was verklaard. Belanghebbende had aangifte gedaan voor een gebruikte Volvo XC60 en stelde dat de inspecteur onvoldoende rekening had gehouden met schade aan de auto, wat de handelsinkoopwaarde zou beïnvloeden. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de door belanghebbende gestelde schade niet meer is dan normale gebruiksschade. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure langer heeft geduurd dan de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank kent ook een proceskostenvergoeding toe van € 226,75 aan belanghebbende, die door de inspecteur moet worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.541 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Volvo XC60 – 3.0 T6 Summum (hierna: de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.124. In de aangifte is aangegeven een historische nieuwprijs van de auto van € 88.010, een netto catalogusprijs van € 41.439, historische bruto Bpm van € 42.485 en een handelsinkoopwaarde van € 2.330.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf 1] B.V. met datum 27 maart 2023 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 15.287, gebaseerd op een referentieauto vermeld in een koerslijst van Eurotax glass. De betreffende referentieauto is een Volvo XC60 2.0 T6 Summum Geartronic. Verder heeft de taxateur een schadebedrag van € 14.286 geconstateerd aan de auto, en daarvan 80 procent (€ 11.429) als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. Ook heeft de taxateur wegens “geen NAP / oordeel RDW km-stand onlogisch” en “correctie afwijkende bruto BPM” in totaal € 1.529 in mindering op de handelsinkoopwaarde gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft de taxateur zodoende vastgesteld op € 2.330.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen daarvan zijn in een rapport vastgelegd. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het rapport is daarover opgemerkt: “Alle opgegeven schade is
nietaangetroffen of valt onder gebruiksschade.”
4.3.
Naar aanleiding van het DRZ-rapport heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig Bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de historische bruto Bpm gesteld op € 42.485, de historische nieuwprijs op € 90.280 en de handelsinkoopwaarde op € 13.885. Omdat berekening van de Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijving tot een lager bedrag leidde dan berekening van de Bpm volgens de taxatiemethode, heeft de inspecteur de voor de auto verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijving berekend op € 5.665.
4.4.
Rekening houdend met de reeds betaalde Bpm, heeft de inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag van € 4.541 opgelegd.

Motivering

Schade
5. Belanghebbende stelt allereerst dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door haar gestelde schade. In beroep bepleit belanghebbende een schadebedrag van € 7.360, hetgeen tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 5.888 moet leiden.
5.1.
De inspecteur betwist dat sprake is van schade aan de auto waarmee ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden.
5.2.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Belanghebbende heeft daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen en ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd van de auto. Verder heeft de taxateur van DRZ “bevindingen/opmerkingen” in zijn taxatierapport opgenomen.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [1] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
5.4.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur en gelet op het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat met een bedrag aan schade rekening moet worden gehouden. De door belanghebbende gestelde ‘schade’ behelst naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan normale gebruiksschade zoals onder 5.3 bedoeld, dan wel is de gestelde schade onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Ook heeft belanghebbende de aftrek in verband met “geen NAP / oordeel RDW km-stand onlogisch” en “correctie afwijkende bruto BPM” niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het bedrag van € 1.529 evenmin in aftrek komen op de handelsinkoopprijs. Verder heeft belanghebbende ook zijn stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 2] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. De handelsinkoopwaarde wordt dus niet verminderd in verband met schade.
Historische nieuwprijs
5.5.
Belanghebbende betoogt verder dat de inspecteur de historische nieuwprijs te laag heeft vastgesteld en niet in overeenstemming met de netto catalogusprijs. Volgens belanghebbende dient de historische nieuwprijs te worden vastgesteld op € 94.896. Dat bedrag is opgebouwd uit een netto catalogusprijs van € 43.315, vermeerderd met € 9.096 Btw en € 42.485 historische bruto Bpm van de auto zelf. Ter motivering van zijn standpunt heeft belanghebbende verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] .
5.6.
De rechtbank overweegt dat ook in het geval zij belanghebbende volgt in haar standpunt dat de historische nieuwprijs op € 94.896 moet worden vastgesteld, het betoog haar niet kan baten. Berekening van de Bpm via de door belanghebbende voorgestane methode leidt er in dat geval namelijk toe dat € 6.216 Bpm is verschuldigd. De handelsinkoopwaarde bedraagt immers € 13.885 omdat deze niet wordt verminderd wegens schade (zie hiervoor). De berekende Bpm is dan hoger dan de Bpm waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd (€ 5.665). Belanghebbendes standpunt over de historische nieuwprijs kan dus niet tot een vermindering van de naheffingsaanslag leiden.
Immateriële schadevergoeding
5.7.
Belanghebbende heeft op 30 oktober 2025 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. Dat verzoek is weliswaar gedaan na uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024 [3] , maar omdat het financiële belang bij de procedure meer beloopt dan € 1.000 heeft belanghebbende, bij overschrijding van de redelijke termijn, toch recht op een immateriële schadevergoeding.
5.8.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 20 oktober 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond drie maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
5.9.
Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee drie maanden te lang komt de schadevergoeding geheel voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur moet die kosten vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is namelijk niet gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [5] , en bovendien was de redelijke termijn op deze datum ook nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.