Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.522 en bijbehorende belastingrente. De inspecteur had de aanslag deels verminderd na bezwaar, maar belanghebbende betwistte de hoogte van de waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van de gebruikte auto.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld en dat de door belanghebbende aangevoerde waardeverminderende factoren onvoldoende onderbouwd zijn. De schade aan het rechterportier en het ontbreken van alarmklasse III en Nederlandstalige onderhoudsboeken leiden niet tot een waardevermindering. Ook het ontbreken van een NAP-status is niet relevant volgens de gebruikte koerslijst.
Wel wordt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase verhoogd omdat de inspecteur het lagere tarief toepaste, wat onjuist is volgens recente jurisprudentie. Daarnaast krijgt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het ziet op de kostenvergoeding, en voor het overige ongegrond.