In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 8.522 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een belastingrentebeschikking van € 48. Na bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.742 en de belastingrente tot € 37. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, waarbij de rechtbank op 11 november 2025 de zaak heeft behandeld.
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase correct is. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag correct heeft vastgesteld, maar dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase moet worden verhoogd naar € 647 per punt, en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe voor de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en verklaart het beroep gegrond voor dat onderdeel. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.201 aan proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht van € 371. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de uitspraak.