ECLI:NL:RBZWB:2025:9139

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/4244
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en waardeverminderende factoren

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 8.522 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een belastingrentebeschikking van € 48. Na bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.742 en de belastingrente tot € 37. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, waarbij de rechtbank op 11 november 2025 de zaak heeft behandeld.

De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase correct is. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag correct heeft vastgesteld, maar dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase moet worden verhoogd naar € 647 per punt, en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe voor de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en verklaart het beroep gegrond voor dat onderdeel. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.201 aan proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht van € 371. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van inspecteur van 27 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.522 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 48 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking deels verminderd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, zoals die luidt na bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank de door de inspecteur voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding. Tot slot beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. De aan belanghebbende in de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding dient wel op een hoger bedrag te worden vastgesteld. Dat leidt ertoe dat het beroep in zoverre gegrond is. Belanghebbende heeft ook recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Volkswagen Tiguan Allspace - 2.0 TSI R-Line Business+ 7p. en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.626.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf 1] B.V. met datum 8 november 2022 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 31.574, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 9.720 geconstateerd en daarvan 90% als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. Verder heeft de taxateur € 3.157 aan andere waardeverminderende factoren geconstateerd. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 19.669.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 17 november 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 42.845, gebaseerd op een koerslijst van Autotelex Pro. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade.
4.3.
Naar aanleiding van het DRZ-rapport heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig Bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de voor de auto verschuldigde Bpm berekend op € 15.148.
4.4.
Vervolgens heeft hij een naheffingsaanslag opgelegd van € 8.522.
4.5.
In bezwaar heeft de inspecteur aanleiding gezien de historische nieuwprijs van de auto op een hoger bedrag vast te stellen. Hij heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.742. De bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente is verlaagd tot € 37.
4.6.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 620.

Motivering

Waardeverminderende factoren
5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door haar gestelde waardeverminderingen van de handelsinkoopwaarde. Als de rechtbank de naheffingsaanslag niet vernietigt, bepleit belanghebbende in beroep subsidiair een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 3.151. Die waardevermindering bestaat uit de volgende factoren:
  • Alarmklasse III € 1.040
  • NL boeken € 108
  • Rechterportier € 424
  • Ontbreken NAP € 1.579
Meer subsidiair bepleit belanghebbende dat alleen de drie eerstgenoemde factoren tot een waardevermindering leiden. Dat betreft dan een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 1.572.
5.1.
De inspecteur betwist dat de door belanghebbende aangevoerde factoren tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde leiden.
5.2.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de door belanghebbende benoemde waardeverminderende factoren als volgt.
Ontbreken van alarmklasse III
5.3.
Belanghebbende stelt dat wegens het ontbreken van alarmklasse III een waardevermindering van € 1.040 op de handelsinkoopwaarde in aanmerking moet worden genomen. Het is de rechtbank onduidelijk waarom de afwezigheid van een alarmklasse III tot een waardevermindering zou moeten leiden. De enkele stelling van belanghebbende is in ieder geval onvoldoende voor de bepleite waardevermindering.
Ontbreken van Nederlandstalige boeken
5.4.
Belanghebbende betoogt dat de auto wordt vergeleken met een Nederlandse auto die over Nederlandstalige boeken beschikt. Omdat de auto van belanghebbende niet over Nederlandstalige boeken beschikt, moet wegens het ontbreken daarvan een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde worden toegestaan, aldus belanghebbende.
5.5.
Naar de rechtbank begrijpt doelt belanghebbende met “Nederlandse boeken” op Nederlandstalige onderhoudsboeken. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van dergelijke bescheiden niet leidt tot de door belanghebbende gestelde waardevermindering. Onderhoudsboeken geven een weergave van het onderhoud dat in de loop der jaren is gepleegd, en kunnen gezien de herkomst van de auto niet in het Nederlands gesteld zijn. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat de auto wel beschikt over buitenlandse onderhoudsboeken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de door belanghebbende gestelde waardevermindering.
Schade aan het rechterportier
5.6.
Belanghebbende voert aan dat de auto is beschadigd. De beschadigingen, waarbij belanghebbende expliciet wijst op schade aan het rechterportier van de auto, rechtvaardigen volgens haar een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 424.
5.7.
De bewijslast ten aanzien van schade aan de auto rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte, en de daarin opgenomen foto’s van de auto.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had. Met het taxatierapport, de daarbij gevoegde foto’s en de schadecalculatie wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over de aard en omvang van de gestelde schade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat weliswaar op de foto’s die bij het taxatierapport zijn gevoegd krassen te zien zijn, maar uit het taxatierapport en de foto’s niet volgt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Verder heeft belanghebbende ook haar stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 2] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. De handelsinkoopwaarde wordt dus niet verminderd in verband met schade.
Ontbreken van een NAP-status
5.9.
De rechtbank ziet tot slot ook geen aanleiding om een waardevermindering wegens ‘geen NAP status’ in aanmerking te nemen. In de koerslijst van Xray wordt voor een daarin opgenomen motorrijtuig niet als variabele rekening gehouden met een waardevermindering vanwege het ontbreken van gegevens zoals de NAP status. Er moet daarom van worden uitgegaan dat deze gegevens bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant zijn. [1] Het staat belanghebbende niet vrij om, los van de gekozen koerslijst, een vermindering vanwege het ontbreken van deze gegevens in aanmerking te nemen.
5.10.
Gelet op voorgaande heeft de inspecteur de naheffingsaanslag Bpm, zoals vastgesteld na bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd.
Belastingrente
5.11.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
5.12.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 620 omdat de inspecteur het lagere tarief van € 310 per punt heeft toegepast.
5.13.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [2] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 647 per punt.
Immateriële schadevergoeding
5.14.
Belanghebbende heeft op 22 april 2024 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 26 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zeven maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
5.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond elf maanden heeft geduurd en daarmee vijf maanden te lang komt € 714,29 (5/7e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 285,71) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Naast een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft belanghebbende ook recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.294, wat verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds vergoed is. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907 met een wegingsfactor 0,5 [3] . De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 907 (2 maal € 907 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.201 (€ 1.294 + € 907).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de kostenvergoeding in bezwaar;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de kostenvergoeding in bezwaar;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 714,29;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 285,71;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.201 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad van 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.3. en Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2.
2.Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524 r.o. 1.3.
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.