ECLI:NL:RBZWB:2025:9140

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/10390
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding in bezwaar

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.731 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en had daarnaast € 13 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag, welke door de inspecteur deels gegrond werd verklaard, maar belanghebbende ging in beroep omdat zij vond dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd en dat onvoldoende rekening was gehouden met waardeverminderingen van de handelsinkoopwaarde van de auto.

De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag was vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en stelt deze vast op een hoger bedrag. De rechtbank concludeert dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van inspecteur van 27 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.731 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 13 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag deels verminderd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, zoals die luidt na bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank de door de inspecteur voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding. Tot slot beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. De aan belanghebbende in de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding dient wel op een hoger bedrag te worden vastgesteld. Dat leidt ertoe dat het beroep in zoverre gegrond is. Belanghebbende heeft ook recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Landrover Discovery SUV. en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.466.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf 1] met datum 8 november 2021 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 33.255, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 13.315 geconstateerd en daarvan 72% als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 22.338.
4.2.
Naar aanleiding van de aangifte heeft Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. De bevindingen van DRZ zijn opgenomen in een rapport van 23 november 2021. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 33.838, gebaseerd op een koerslijst van Xray. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. Verder is in het DRZ rapport vermeldt dat het voertuig niet aan DRZ is getoond.
4.3.
Naar aanleiding van het rapport van DRZ heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig Bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de voor de auto verschuldigde Bpm berekend op € 13.195.
4.4.
Vervolgens heeft hij een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.731. Bij de naheffingsaanslag heeft hij € 13 aan belastingrente in rekening gebracht.
4.5.
In bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.352.
4.6.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 538.

Motivering

5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door haar gestelde waardeverminderingen van de handelsinkoopwaarde. Als de rechtbank de naheffingsaanslag niet vernietigt, bepleit belanghebbende in beroep subsidiair een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 10.917. Die vermindering bestaat uit op de auto aanwezige schade van € 13.315, waarvan belanghebbende 72 procent in aanmerking neemt als waardevermindering, en verder bepleit belanghebbende een waardevermindering van € 1.330 wegens kortgezegd overige factoren.
5.1.
De inspecteur betwist dat de door belanghebbende aangevoerde factoren tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde leiden.
5.2.
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de bewijslast dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd wegens schade en/of andere factoren, rust op belanghebbende. In dat kader is het aan belanghebbende om die waardeverminderingen aannemelijk maken. Het niet tonen van de auto bij DRZ, brengt, zoals belanghebbende stelt, niet mee dat de op haar rustende bewijslast moet worden verzwaard [1] .
Schade
5.3.
Ten aanzien van de gestelde schade van € 13.315 heeft belanghebbende ter onderbouwing van haar standpunt een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen en foto’s zijn overgelegd van de auto.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [2] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
5.5.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de in het dossier aanwezige inkoopfactuur die geen melding van enige schade aan de auto maakt, en gelet op het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat met een bedrag aan schade rekening moet worden gehouden. De door belanghebbende gestelde ‘schade’ behelst naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan normale gebruiksschade zoals onder 5.4 bedoeld, dan wel is de gestelde schade onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Verder heeft belanghebbende ook haar stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 2] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. De handelsinkoopwaarde wordt dus niet verminderd in verband met schade.
Overige waardeverminderende factoren
5.6.
Belanghebbende voert € 1.330 op als overige waardeverminderende factoren van de handelsinkoopwaarde op. Blijkens het taxatierapport gaat het om de volgende factoren:
  • Geen onderhoudshistorie bekend
  • Geen opvraging / status NAP mogelijk
  • Markt bijstelling (kleur, opties, aanbod e.d.)
  • Onderhoud vereist
  • Miblock vereist i.v.m. keyless entry
  • Volgsysteem vereist, niet aanwezig.
5.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde te verminderen wegens voornoemde factoren. De enkele stelling van belanghebbende is daarvoor onvoldoende.
5.8.
Gelet op voorgaande heeft de inspecteur de naheffingsaanslag Bpm, zoals vastgesteld na bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd.
Belastingrente
5.9.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd.
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
5.10.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 538 omdat de inspecteur het lagere tarief van € 269 per punt heeft toegepast.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [3] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 647 per punt.
Immateriële schadevergoeding
5.12.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond twaalf maanden heeft geduurd en daarmee zes maanden te lang komt € 642,86 (6/14e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 857,14) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Naast een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft belanghebbende ook recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.294, die verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds vergoed is. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907 met een wegingsfactor 0,5 [4] . De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 907 (2 maal € 907 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.201 (€ 1.294 + € 907).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de kostenvergoeding in bezwaar;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de kostenvergoeding in bezwaar;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 642,86;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 857,14;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.201 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317, r.o. 3.4.2.
2.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
3.Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524 r.o. 1.3.
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.