Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.731 en de daarbij behorende belastingrente. De inspecteur had de aanslag deels verminderd na bezwaar, maar belanghebbende betwistte de hoogte van de aanslag en de toegewezen kostenvergoeding.
De rechtbank beoordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de door belanghebbende gestelde waardeverminderingen wegens schade en overige factoren onvoldoende zijn onderbouwd. Normale gebruiksschade kan niet in mindering worden gebracht en de overige factoren zijn niet aannemelijk gemaakt.
Wel oordeelt de rechtbank dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag is vastgesteld en verhoogt deze conform het hogere tarief. Tevens kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim veertien maanden.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van de hogere kostenvergoeding en een deel van de immateriële schadevergoeding, terwijl de Staat het resterende deel betaalt. Daarnaast moet de inspecteur het griffierecht vergoeden en krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.