Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.288 die de inspecteur had opgelegd wegens een vermeende te lage aangifte van de belasting op een gebruikte personenauto. De inspecteur baseerde zijn naheffing op een hertaxatie waarbij slechts €250 schade werd erkend, terwijl belanghebbende een hogere schadepost had opgevoerd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase ruim 14 maanden duurde en de totale termijn met ongeveer 16 maanden werd overschreden. Daarom kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe, waarvan €750 voor rekening van de inspecteur en €750 voor de Staat.
Ook wordt belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van €226,75, eveneens gelijk verdeeld over de inspecteur en de Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was ingetreden. Het beroep wordt uiteindelijk ongegrond verklaard.
De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert en griffier S.A.C. Deeleman op 22 december 2025 te Breda. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.