In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek van 17 juli 2024, zoals vereist door artikel 4.1 van de Wet open overheid. De rechtbank heeft de zaak behandeld op zitting op 28 januari 2025, waar eiser en vertegenwoordigers van de minister aanwezig waren. De behandeling werd aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot overleg. Op 28 februari 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen, maar eiser heeft aangegeven dat er mogelijk toch een zitting nodig is. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen. De rechtbank verwijst het beroep tegen dit besluit door naar de minister ter behandeling als bezwaar, en bepaalt dat de minister het griffierecht aan eiser moet vergoeden. Eiser heeft recht op een vergoeding van proceskosten, die door de rechtbank zijn vastgesteld op € 216,72. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht op hoger beroep.