6.3Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in vier maanden tijd schuldig gemaakt aan een aantal feiten die steeds in ernst toenamen, namelijk: de diefstal van een muts, het filmen van het schieten op een coffeeshop, en een poging tot voorbereiding van een moord.
Op 25 januari 2024 heeft verdachte de muts van [slachtoffer 2] van haar hoofd getrokken en is hiermee weggerend.
Uit de bij de vordering benadeelde partij gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het incident zodanige impact op [slachtoffer 2] heeft gehad, dat zij sindsdien angstig is dat het nog een keer gaat gebeuren en ook heeft zij last van paniekaanvallen.
Verdachte heeft zich op 30 maart samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een bedreiging door met een vuurwapen op [coffeeshop] te schieten. De coffeeshop bevindt zich aan een openbare weg in het centrum van [plaats 1] . Er is maar één keer geschoten omdat het vuurwapen vervolgens weigerde. Het betreft een zeer intimiderende bedreiging, die in potentie tot een levensbedreigende situatie had kunnen leiden. Er mag dan ook van geluk gesproken worden dat tijdens de beschieting niemand in het pand aanwezig was en er niemand gewond is geraakt. Ook is het pand [coffeeshop] door de beschieting beschadigd.
Uit de toelichting op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] komt naar voren dat het incident een grote impact op hem heeft gehad. Gelet op de brutale wijze waarop de aanslag is gepleegd zou [slachtoffer 3] er niet raar van opkijken als hij zelf zou worden opgezocht en zou worden neergeschoten. Hij leeft in angst om slachtoffer te worden van een aanslag met een vuurwapen. Daar komt bij dat de beschieting voor omwonenden eveneens een bijzonder nare en bedreigende ervaring moet zijn geweest. Het behoeft geen toelichting dat een beschieting van een pand de nodige schrik en gevoelens van angst en onveiligheid in de buurt teweeg heeft gebracht. Dit alles wordt verdachte zwaar aangerekend.
In de periode van 1 februari 2024 tot en met 3 april 2024 heeft verdachte zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] . In Snapchat groepen heeft verdachte met de opdrachtgever en de medeverdachten gesproken over de moord op [slachtoffer 1] , is aan hen concrete informatie over [slachtoffer 1] verstrekt en verdachte is samen met een medeverdachte naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan om de boel te verkennen.
Een ander opzettelijk van het leven beroven, is een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij voorbereidingshandelingen, zoals in dit geval, zijn de gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering en gevoelens van angst en onrust in de maatschappij.
Dit feit heeft een diepe impact gehad op het leven van [slachtoffer 1] , zoals ook is gebleken uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Hij leeft nog elke dag in angst, slaapt slecht en heeft moeten onderduiken en zijn vertrouwde woonomgeving moeten verlaten, omdat lang onduidelijk is geweest of de moordopdracht nog zou worden uitgevoerd. Daardoor heeft hij ook zijn moeder, voor wie hij op dat moment zorgde, en zijn minderjarige dochter lange tijd niet kunnen zien.
Verdachte heeft op geen enkel moment stilgestaan bij al deze gevolgen. Hij heeft enkel gedacht aan hoe hij zo snel mogelijk geld zou kunnen verdienen. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juli 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden over verdachte zijn opgemaakt:
- de pro justitia rapportage van drs. [naam 1] , GZ-psycholoog, van 1 augustus 2024;
- de pro justitia rapportage van [naam 2] , kinder- en jeugdpsychiater, van 2 augustus 2024;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 20 januari 2025.
In de pro justitia rapportages komen de deskundigen tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, acculturatieproblematiek en een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag. Vanuit de gediagnosticeerde stoornissen adviseren de deskundigen de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de diefstal, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is kort voor het plegen van de feiten voor het vervolg van zijn opleiding naar Nederland gekomen om bij zijn vader te gaan wonen. De verhuizing naar Nederland was in veel opzichten een grote verandering en verdachte heeft het aanzienlijk moeilijk gehad met de aanpassing die daarvoor nodig was.
Het risico op herhaling wordt ingeschat als laag tot matig. Verdachte blijft echter kwetsbaar voor beïnvloeding door antisociale jongeren. Om de kans op herhaling te verminderen is intensieve begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering noodzakelijk. Het is nodig om verdachte meer weerbaar te maken in zijn sociale contacten. De gedragsinterventie So-Cool zou daarvoor geschikt zijn. Ook is het van groot belang om nu in te zetten op het vergroten van het toezicht en de pedagogische vaardigheden van de ouders. FFT (Functional Family Therapy) is daarvoor een geschikte methode. Ook is een goede daginvulling van belang. Naast scholing is het van belang dat een bijbaan en een hobby/sport de dagen gaan vullen in plaats van op straat hangen en omgaan met ‘verkeerde’ vrienden die verdachte niet naar waarde kan schatten.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van de Raad over verdachte van 20 januari 2025. Gezien de ernst van de feiten zou volgens de Raad jeugddetentie een passende straf zijn. Echter gekeken naar de persoonlijke omstandigheden vindt de Raad het niet wenselijk als verdachte nu weer terug naar de jeugdinrichting zou moeten. Na zijn schorsing uit het voorarrest heeft verdachte namelijk hard gewerkt om zijn leven weer op te pakken. Verdachte heeft stappen gemaakt om op het juiste pad te komen en te blijven. Hij heeft laten zien dat hij aan te sturen is door de begeleiding van [jeugdzorginstelling] , hij gaat naar school en loopt stage en sport gemiddeld vier keer per week. De Raad adviseert dan ook om verdachte een jeugddetentie op te leggen voor de duur van zijn voorarrest. Gekeken naar de vaardigheidstekorten van verdachte acht de Raad de gedragsinterventie So-Cool verlengd (50 uur) een passende straf voor verdachte. Daarnaast adviseert de Raad begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Naast begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering en begeleiding van [jeugdzorginstelling] vindt de Raad het van belang dat er een gezinscoach wordt ingezet in het gezin.
De Raad vindt het belangrijk dat verdachte een stok achter de deur heeft om zich te houden aan de voorwaarden die worden opgesteld en de afspraken die de jeugdreclassering met hem gaat maken. Daarom adviseert de Raad verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden: de meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs, zoeken naar en/of inzetten voor onderwijs c.q. dagbesteding, meewerken aan de begeleiding vanuit [jeugdzorginstelling] en meewerken aan gezinscoaching/hulpverlening gericht op de acculturatie problematiek van verdachte, waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten de William Schrikker Groep te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en om verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Ter terechtzitting heeft de Raad het advies gehandhaafd en hieraan als bijzondere voorwaarde toegevoegd dat verdachte meewerkt aan alle hulpverlening die de jeugdreclassering nodig acht, ook als dat de inzet van FFT inhoudt.
Ter terechtzitting heeft de jeugdreclassering aangegeven het advies van de Raad te ondersteunen. Verdachte kan oorzaak en gevolg niet overzien en hiervoor is de inzet van hulpverlening noodzakelijk.
Verminderde toerekenbaarheid
Uit de adviezen van de deskundigen is gebleken dat de feiten 1, 2 en 3 verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.
De straf
De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten zoals door verdachte gepleegd een jeugddetentie, al dan niet in voorwaardelijke vorm, rechtvaardigen. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft daarnaast gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Zij neemt die dan ook over en legt aan verdachte op een jeugddetentie van 340 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 241 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast legt zij aan verdachte op een leerstraf, te weten So-Cool verlengd van 50 uren.
Dat verdachte zich uit het niets in zo’n korte tijd schuldig heeft gemaakt aan steeds ernstigere feiten vindt de rechtbank heel zorgelijk. De rechtbank kan zich op basis van wat over verdachte bekend is geworden niet aan de indruk onttrekken dat niet (alleen) het afbetalen van openstaande boetes de drijvende reden was, maar dat ook beïnvloeding een rol heeft gespeeld in een periode waarin het niet goed ging met verdachte. Het is belangrijk dat verdachte daar de komende tijd met de opgelegde hulpverlening nog eens goed over nadenkt en verder aan probeert te werken.
De voorwaardelijke jeugddetentie dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen, wetende wat hem dan boven het hoofd hangt. Aan de proeftijd worden de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld, te weten de meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs, zoeken naar en/of inzetten voor onderwijs c.q. dagbesteding, meewerken aan de begeleiding vanuit [jeugdzorginstelling] , meewerken aan gezinscoaching/hulpverlening gericht op de acculturatie problematiek van verdachte en meewerken aan andere hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht, ook als dat de inzet van FFT inhoudt. Aan de GI wordt de opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en om verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.