Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van de GI
5.Het standpunt van de moeder
6.De beoordeling
ultimum remedium. Omdat de kinderrechter zich voor nu onvoldoende voorgelicht acht om op het verzoek te beslissen, zal zij het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden. De kinderrechter zal het verzoek niet direct afwijzen, nu zij ook ziet dat er sprake is van grote zorgen en complexe problematiek.
[datum] 2026 om [uur]. De GI dient de kinderrechter
uiterlijk twee weken voorafgaand aan voormelde zittingsdatumschriftelijk, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de moeder, te informeren over:
7.De beslissing
[datum] 2026 te [uur]bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (in de persoon van mr. Van de Kraats), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.11;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.