In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, enkelvoudige belastingkamer, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had op 26 februari 2023 de WOZ-waarde van de onroerende zaak, gelegen aan [adres] te [plaats], vastgesteld op € 346.000 per 1 januari 2022. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 17 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de belanghebbende werd vertegenwoordigd door [gemachtigde 2] van [bedrijf 1], en de heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door [heffingsambtenaar] en [taxateur]. Tijdens de zitting hebben partijen een compromis bereikt, waarbij de WOZ-waarde werd vastgesteld op € 329.000 voor het belastingjaar 2023. Tevens is overeengekomen dat de heffingsambtenaar het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 vergoedt en een proceskostenvergoeding van € 3.108 aan de belanghebbende betaalt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de WOZ-waarde verlaagd en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om hoger beroep in te stellen.