De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 februari 2025 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van zware mishandeling op 3 juli 2024 te Tilburg en bezit van 7,5 gram MDMA op 31 juli 2024 in zijn woonplaats. De rechtbank oordeelde dat het alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk was en achtte de aangifte en ondersteunend bewijs overtuigend.
Verdachte had het slachtoffer met een mes in de hand gestoken, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel met blijvende schade aan de hand en een herstelperiode van meer dan zes weken. Verdachte had ook 7,5 gram MDMA in bezit, wat hij bekende. De rechtbank achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het letsel, het bezit van drugs en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een eerdere geweldsveroordeling en mogelijke licht verstandelijke beperking. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €106.786,31, waarvan de rechtbank een deel toewijsbaar achtte: €618,71 materiële schade en €3.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De overige vorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Verdachte werd verplicht tot betaling met een schadevergoedingsmaatregel.
Het vonnis bevatte ook bijzondere voorwaarden voor verdachte, waaronder begeleiding en toezicht door de reclassering, een contactverbod met het slachtoffer en verplichtingen op het gebied van dagbesteding en behandeling.