ECLI:NL:RBZWB:2025:9211

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7370 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verzet tegen onbevoegdheid van de rechtbank in belastingzaak

In deze uitspraak op het verzet van de opposant, die zich richtte tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2025, heeft de rechtbank zich opnieuw onbevoegd verklaard. De opposant, die stelt slachtoffer te zijn van fraude met zijn inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007 en 2008, verzocht de rechtbank om te bepalen dat de belastingdienst een zorgvuldig onderzoek moet doen naar de fraude en om een bedrag van € 22.301,- aan hem te retourneren. De rechtbank heeft in haar beoordeling vastgesteld dat er geen besluit ligt waartegen beroep kan worden ingesteld, en dat de bestuursrechter alleen kan oordelen over onrechtmatige besluiten of voorbereidingshandelingen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de gronden van het verzet niet slagen en dat de eerdere uitspraak in stand blijft. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd geacht, en enkel de civiele rechter kan in deze zaak bevoegd zijn. De uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders op 18 december 2025 en is openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7370 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Financiën.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2025 [2] waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het verzoek van opposant kennis te nemen.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 5 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het verzoek van opposant strekte ertoe dat de rechtbank zou bepalen dat de belastingdienst zorgvuldig onderzoek moet doen of de fraude die is gepleegd met zijn inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007 en 2008 ten nadele van zijn financiën is gebeurd en of er daarom nog een bedrag (van € 22.301,-) aan hem moet worden geretourneerd. In het geval de belastingdienst dit onderzoek niet kan of wil doen, verzoekt opposant de rechtbank om te bepalen dat hij recht heeft op de helft van het fraudebedrag vermeerderd met de wettelijke rente.
De uitspraak van 5 augustus 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat er geen besluit ligt en de bestuursrechter kan op grond van titel 8.4. van de Awb een bestuursorgaan (in dit geval de minister) alleen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding als er sprake is van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige voorbereidingshandeling van een besluit.

Heeft de rechtbank in haar uitspraak van 5 augustus 2025 terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is?

6. Opposant voert aan dat deze zaak niet gaat om een schadeverzoek/-vergoeding, maar om retournering van een bedrag, dat middels fraude is ingehouden bij verzoeker, en dit valt volgens opposant wel onder de bevoegdheid van de bestuursrechter. Verder verzoekt opposant de bestuursrechter in zijn verzetschrift om de minister op te dragen de schriftelijke toezegging, die de minister in juni 2023 gedaan zou hebben, om de zaak van opposant zijn Inkomstenbelasting-fraude (IB-fraude) met spoed uit te zoeken en af te handelen alsnog uit te voeren.
6.1.
De verzetrechter oordeelt dat de gronden van het verzet niet slagen en dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is en vult de motivering van dat oordeel aan. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.
6.2.
Artikel 8:1 van de Awb bepaalt (in samenhang met artikel 6:2, onderdeel b van de Awb) dat een belanghebbende tegen (het niet op tijd nemen van) een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
6.3.
De aanleiding van de correspondentie die opposant met verweerder heeft gevoerd, ligt blijkens de stukken in zijn registratie in de Fraude Service Voorziening (hierna: FSV) sinds 2000. Opposant stelt dat hij slachtoffer is van fraude, naar de rechtbank uit zijn stukken begrijpt met zijn aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007 en 2008. Hij verzocht de minister bij brief van 28 november 2021 uitdrukkelijk om het vergoeden van de door hem berekende schade. Naar aanleiding van de voorlopige conclusie van de minister, gedateerd, 22 januari 2024 heeft opposant bij brief van 14 februari 2024 onder meer verwezen naar zijn verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft gelet op hetgeen opposant in reactie op het verweerschrift heeft gesteld, geconcludeerd dat het opposant niet te doen is om een vergoeding van schade die het gevolg is van de registratie in de FSV.
6.4.
De kern van het verzetschrift is dat opposant stelt dat áls bedragen middels fraude van hem zijn ingehouden, deze geretourneerd moeten worden. Dat zou wel onder de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
Daarover heeft de rechtbank terecht overwogen dat titel 8.4 van de AWB nog niet geldt voor besluiten of handelingen van de belastingdienst. Dat heeft tot gevolg dat de bestuursrechter niet kan oordelen over een beslissing om eventuele schade niet te vergoeden of het nalaten daartoe een beslissing te nemen. De conclusie van de rechtbank dat dan alleen de civiele rechter bevoegd kan zijn, is ook juist.
6.5.
Ten aanzien van het verzoek van opposant om aan de minister op dragen dat hij de toezegging van juni 2023 alsnog uitvoert heeft de rechtbank zich eveneens terecht onbevoegd geacht. De gestelde toezegging zou het doen van nader onderzoek betreffen. Nog daargelaten of na een dergelijk onderzoek een als publiekrechtelijk te kwalificeren besluit zou volgen, kan een toezegging om onderzoek te doen of het nalaten dat te doen, niet worden gekwalificeerd als een besluit of het nalaten een dergelijk besluit te nemen. Ook op dit punt is de conclusie juist dat alleen de civiele rechter bevoegd kan zijn.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 augustus 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).