Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een dochter is geboren. Na relatiebreuk verliet de vrouw met haar dochter de woonwagen, die zij juridisch bezit. De man bleef in de woonwagen wonen ondanks sommatie om te vertrekken.
De vrouw vorderde in kort geding ontruiming van de woonwagen binnen drie dagen, een contact- en gebiedsverbod tegen de man en veroordeling in de kosten. De man voerde verweer en stelde dat de vrouw geen spoedeisend belang had, dat hij mede-eigenaar was en dat het gebiedsverbod disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw een spoedeisend belang had en dat zij juridisch eigenaar is van de woonwagen. De ontruiming werd toegewezen met een redelijke termijn van 60 dagen. Het contact- en gebiedsverbod werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en bestaande bijzondere voorwaarden.
In reconventie vorderde de man een omgangsregeling met de dochter. De vrouw was bereid tot contact onder begeleiding van hulpverleners. De rechtbank wees de omgangsvorderingen af omdat het verzoekschrift bij de bodemrechter afgewacht kan worden.
De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.