ECLI:NL:RBZWB:2025:9227

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
02-234827-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meerdere insluipingen met diefstal en pogingen daartoe, oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere insluipingen met diefstal en pogingen daartoe. De verdachte, geboren in 2006 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, was ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 10 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten presenteerden. De tenlastelegging, die was gewijzigd, betrof insluipingen in woningen in de periode van 3 tot en met 6 september 2025 in [plaats 2]. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten, waarbij de modus operandi telkens hetzelfde was. De verdediging had verzocht om vrijspraak voor enkele feiten, maar de rechtbank kwam tot een bewezenverklaring van de diefstallen en pogingen daartoe. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan benadeelde partijen, waaronder [persoon 1] en [persoon 3]. De rechtbank oordeelde dat de insluipingen niet alleen schade toebrachten, maar ook een forse inbreuk maakten op de privacy van de bewoners.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-234827-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedag] 2006,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats 1] ,
raadsman mr. M. Kalle, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere insluipingen in woningen, waarbij verdachte meerdere goederen heeft weggenomen, en twee pogingen daartoe, in de periode van 3 tot en met
6 september 2025 in [plaats 2] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle aan hem ten laste gelegde feiten. Er is telkens sprake van dezelfde modus operandi.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Onder feit 1 wordt verzocht verdachte vrij te spreken van het wegnemen van twee horloges bij [aangeefster] en van de ten laste gelegde diefstal door middel van insluiping bij [aangever 1] . Onder feit 2 wordt verzocht tot vrijspraak te komen voor de poging tot diefstal door middel van insluiping bij [aangever 2] . Voor het overige ten laste gelegde is voldoende bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van alle onder feit 1 genoemde diefstallen door middel van insluiping. Zij baseert zich daarbij op de aangiftes, de processen-verbaal van bevindingen, de herkenningen van verdachte en ook op de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd.
Door de verdediging is (deels) om vrijspraak verzocht waar het gaat om de diefstallen bij aangevers [aangeefster] en [aangever 1] . Daarover merkt de rechtbank het volgende op.
De insluiping bij [aangeefster] bekent verdachte, maar hij betwist dat hij daarbij twee horloges heeft weggenomen. De rechtbank ziet geen reden om op dit punt aan de aangifte te twijfelen en komt tot een bewezenverklaring van diefstal van zowel een etui en een manicureset als twee horloges.
Ook ten aanzien van de insluiping bij [aangever 1] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Verdachte heeft verklaard dat een tweede persoon bij de insluipingen betrokken zou zijn, van wie hij een tas met daarin de bij aangever gestolen gouden ketting zou hebben gekregen. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu op geen enkele manier is gebleken dat er nog een tweede persoon betrokken zou zijn geweest.
Feit 2
Ook voor beide pogingen tot diefstal door middel van insluiping, zoals ten laste gelegd onder feit 2, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Verdachte heeft het feit ten aanzien van [aangever 3] bekend. De poging tot diefstal bij [aangever 2] heeft verdachte ontkend, maar verdachte is door aangever zelf herkend als de persoon die in zijn woning was. Dat samen met de verklaring van verdachte dat hij wel bij die woning is geweest, acht de rechtbank voldoende.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 3 september 2025 tot en met 6 september 2025 te [plaats 2] ,
- in een woning, te weten aan de [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een etui en manicureset en twee horloges, die aan mevrouw [aangeefster] toebehoorden en
- in een woning, te weten aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een gouden ketting, die aan de heer [aangever 1] toebehoorde en
- in een woning, te weten aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, drie tasjes, die aan de heer [persoon 1] toebehoorden en
- in een woning, te weten aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één schoudertas (met inhoud), die aan de heer [persoon 2] toebehoorde en
- in een woning, te weten aan de [adres 5] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één digitale camera (merk Canon), meerdere bijzondere munten, een uit hout gesneden mes en twee sets manchetknopen, die aan de heer [persoon 3] toebehoorden en
- in een woning, te weten aan de [adres 6] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, autosleutels, die aan de heer [persoon 4] toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door inklimming;
2.
op 6 september 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- in een woning, te weten aan de [adres 7] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen van zijn gading, die aan de heer [aangever 2]
toebehoorden en
- in een woning, te weten aan de [adres 8] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen van zijn gading, die aan de heer [aangever 3] toebehoorden
,
weg te nemen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van inklimming
- op een schutting welke toegang geeft tot het dak is geklommen en
- zich de toegang tot die woning heeft verschaft en
- in die woning heeft gezocht naar goederen van zijn gading,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
44 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan een jaar op te leggen, met een groot voorwaardelijk deel. Ondanks dat er geen reclasseringsrapport over verdachte is opgemaakt zou een meldplicht bij de reclassering kunnen worden overwogen als bijzondere voorwaarde, evenals een verbod om drugs te gebruiken, een verplichting om mee te werken aan controle daarop en de verplichting zich te houden aan aanwijzingen van de reclassering. Verdachte is bereid zich aan die voorwaarden te houden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich in vier dagen tijd schuldig gemaakt aan meerdere insluipingen met diefstal en pogingen daartoe in verschillende woningen in [plaats 2] . Dergelijke insluipingen leveren niet alleen schade op, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Een woning is bij uitstek een plaats waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Woninginsluipingen hebben een forse bijdrage aan de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en van de slachtoffers in het bijzonder.
Verdachte heeft eerder dit jaar een strafbeschikking gekregen voor eveneens een vermogensdelict.
De LOVS-oriëntatiepunten gaan voor insluiping in een woning uit van twee maanden gevangenisstraf. De rechtbank neemt daarbij in strafverzwarende zin mee dat sommige aangevers in hun slaapkamer met verdachte zijn geconfronteerd. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank zijn jonge leeftijd mee.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan
6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. De rechtbank ziet, gelet op het ontbreken van een reclasseringsrapport, geen aanleiding om aan deze straf bijzondere voorwaarden te verbinden.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

[persoon 1]
De benadeelde partij [persoon 1] vordert een schadevergoeding van € 697,70 aan materiële schade voor feit 1, derde gedachtestreepje.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Ter zitting is door de benadeelde partij toegelicht dat de sleutels van de voordeur en het portiek niet zijn teruggevonden. Ook is een nadere toelichting gegeven op de kosten betreffende het paneel voor de kattenren.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank gelet daarop toewijsbaar tot een bedrag van € 481,94 aan materiële schade. Dit betreft de kosten van het cilinderslot van de voordeur, de kosten van het paneel voor de kattenren en een deel van de kosten van het cilinderslot van de portiekdeur. Nu de kosten van het cilinderslot van de portiekdeur kosten betreffen die voor rekening van de Vereniging van Eigenaren komen en niet alleen voor de benadeelde partij zelf, acht de rechtbank voor deze kostenpost een bedrag van € 100,00 redelijk. De rechtbank wijst de vordering voor het overige gedeelte van deze kosten af.
Voornoemde schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 6 september 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2025. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
[persoon 3]
De benadeelde partij [persoon 3] vordert een schadevergoeding van € 628,40 voor feit 1, vijfde gedachtestreepje.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De vordering is wat betreft de kosten van de camera van € 75,00 en de immateriële schade tot een bedrag van € 250,00 niet betwist.
De rechtbank acht daarnaast ook het gevorderde bedrag voor de weggenomen bijzondere munten redelijk en voldoende onderbouwd.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 528,40, waarvan € 278,40 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing hiervan zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 5 september 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2025. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd;
feit 2:poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[persoon 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 1] van € 481,94 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 1] , € 481,94 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
6 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 9 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
[persoon 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 3] van € 528,40, waarvan € 278,40 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 3] , € 528,40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter,
en mr. P.W.G. de Beer en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 december 2025.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij in of omstreeks de periode van 3 september 2025 tot en met 6
september 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
- in een woning, te weten aan de [adres 1] , alwaar hij,
verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende
bevond, een etui en/of manicureset en/of twee horloges, in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan mevrouw [aangeefster] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een
gouden ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de
heer [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich
buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, drie tasjes,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de heer [persoon 1]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één
schoudertas (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan de heer [persoon 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 5] , alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één
digitale camera (merk Canon), meerdere bijzondere munten, een uit
hout gesneden mes en/of twee sets manchetknopen, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan de heer [persoon 3] , in elk geval
aan een ander toebehoorde(n) en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 6] , alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de
heer [persoon 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft
gebracht door inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht, art
311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht )
2.
hij op of omstreeks 6 september 2025 te [plaats 2] , in elk geval in
Nederland, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- in een woning, te weten aan de [adres 7] , alwaar hij, verdachte, zich
buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen
van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de
heer [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
toebehoorde(n) en/of
- in een woning, te weten aan de [adres 8] , alwaar hij,
verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende
bevond, goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan de heer [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan
aan verdachte toebehoorde(n)
weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door
middel van inklimming
- op een schutting welke toegang geeft tot het dak is geklommen en/of
- zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of
- in die woning heeft gezocht naar enig(e) goed(eren) van zijn gading,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht, art
311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art
45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )