ECLI:NL:RBZWB:2025:9232
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaak in Oisterwijk
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedaan op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, gelegen aan [adres 1] te [plaats 1], vastgesteld op € 508.000 per 1 januari 2022. Belanghebbende, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling en stelde dat de waarde maximaal € 484.000 zou moeten zijn. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2024 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door [naam] van [bedrijf] en de heffingsambtenaar door [heffingsambtenaar] en taxateur [taxateur].
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde heeft onderbouwd met een taxatiematrix, waarin de waarde van de woning is vergeleken met referentiewoningen. Belanghebbende betwist de vergelijkbaarheid van deze referentiewoningen, maar de rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de referentiewoningen vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar ook voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen in voorzieningen en onderhoudstoestand van de woning. Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende ongegrond is, wat betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien een partij het niet eens is met deze uitspraak, kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.