ECLI:NL:RBZWB:2025:9233
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste historische nieuwprijs en waardevermindering
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur. De inspecteur had de aanslag verminderd na bezwaar, maar belanghebbende vond deze nog te hoog en stelde dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, de historische nieuwprijs onjuist was vastgesteld en dat er onvoldoende rekening was gehouden met waardevermindering door schade.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, maar dat het bedrag te hoog was. Voor de historische nieuwprijs moest worden uitgegaan van het BPM-tarief op de datum van eerste tenaamstelling in 2019 en de CO2-uitstoot volgens de NEDC2-methode. De netto catalogusprijs werd vastgesteld op €156.517, wat leidde tot een historische nieuwprijs van €248.794. De rechtbank vond dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer waardevermindering door schade was dan reeds door de inspecteur was verwerkt.
De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot €5.809. Daarnaast kreeg belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De uitspraak vernietigde het bezwaar en legde de kosten en vergoedingen aan de inspecteur en de Staat op.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €5.809 en belanghebbende krijgt vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten.