ECLI:NL:RBZWB:2025:9233

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/9274
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 7.107, welke later werd verminderd tot € 6.014 na gegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank behandelt de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, de hoogte van de historische nieuwprijs en waardevermindering door schade. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op € 248.794, en de verschuldigde BPM op € 24.993, wat leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.809. Daarnaast wordt belanghebbende een schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, en legt de kostenvergoedingen vast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.107.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.014. Daarbij is een kostenvergoeding toegekend van € 592.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, de hoogte van de historische nieuwprijs en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, maar wel tot een te hoog bedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 aangifte gedaan voor de registratie van een Audi A6 Avant, VIN eindigend op [nummer] , (de auto) en een bedrag van € 19.184 aan Bpm voldaan.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 27 januari 2021 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 116.290, een schadebedrag van € 34.567,44 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 81.722,56.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 11 februari 2021. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 117.215 vermeld. De hertaxateur heeft een schade van € 1.272 geconstateerd en daarvan € 916 (72%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 116.299.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 26.291.
4.4.
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de handelsinkoopwaarde vastgesteld op de koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s met toepassing van de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ van in totaal 15%. De inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat verlaagd naar € 112.383 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat naar € 111.467. Uitgaande van de historische nieuwprijs van € 246.650 en een bruto Bpm van € 55.786 is de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 25.198. De inspecteur heeft het tarief van (juli) 2020 gebruikt omdat dat het meest gunstig is en de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.014.

Overwegingen

Vertrouwensbeginsel
4.5.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de controle bij DRZ en de kennisgeving van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Historische nieuwprijs
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat voor het bepalen van de historische nieuwprijs moet worden uitgegaan van het Bpm-tarief zoals dit gold op het moment van de datum eerste tenaamstelling van de auto van 17 december 2019 en gaat daarbij uit van een CO2-uitstoot gebaseerd op de NEDC2-methode.
4.8.
Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [3] bepaalt de Wet Bpm op dit punt dat het afschrijvingspercentage moet worden bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen.
4.9.
Gelet op het hiervoor vermelde arrest moet naar het oordeel van de rechtbank voor het bepalen van de historische nieuwprijs worden uitgegaan van het Bpm-tarief zoals dit gold op het moment van de datum eerste tenaamstelling van de auto van 17 december 2019. Het voorgaande geldt ook in een situatie, zoals de onderhavige, waarin voor het bepalen van de verschuldigde Bpm mag worden uitgegaan van het tussentijds tarief per 1 juli 2020. Belanghebbende mocht daarnaast uitgaan van de vaststelling van de CO2-uitstoot op basis van de NEDC2-methode. De rechtbank wijst daarbij ook op de berekening die is gevoegd bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag en waarbij de inspecteur zelf ook vermeld dat de Bruto bpm € 59.409 bedraagt op basis van de NEDC-uitstoot en het tarief 2019. De rechtbank gaat voor het bepalen van de historische nieuwprijs daarom uit van een historische bruto Bpm van € 59.409.
4.10.
Verder gaat de rechtbank uit van de netto-catalogusprijs van € 156.517 zoals door belanghebbende bepleit, aangezien deze netto-catalogusprijs ook door DRZ is vastgesteld, de naheffingsaanslag hierop is gebaseerd en deze netto-catalogusprijs volgens het standpunt van belanghebbende ook in meerdere koerslijsten staat vermeld. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 248.794, zijnde de netto catalogusprijs van € 156.517 te vermeerderen met 21% btw (€ 32.868) en de historische bruto Bpm (€ 59.409).
Waardevermindering wegens schade
4.11.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen rekening is gehouden met de schade.
4.12.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [4] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer schade in aanmerking moet worden genomen dan de inspecteur heeft gedaan. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2019 is en 34.708 kilometer heeft gereden.
4.15.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering. Dit betekent dat belanghebbende de door haar bepleite vermindering niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank neemt de in bezwaar verminderde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 111.647 als uitgangspunt. Dat dit bedrag lager is dan de inkoopfactuur inclusief Bpm zoals de inspecteur stelt, doet daar naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet aan af. De inspecteur heeft ter zitting nog gesteld dat de naheffingsaanslag in het voordeel van belanghebbende is gebaseerd op de toepassing van de koerslijst en 15% correctiefactoren en vastgestelde schade en dat deze daarom eerder te laag dan te hoog is vastgesteld en hij beroept zich daarbij op interne compensatie. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn standpunt dat deze stelling tardief moet worden verklaard.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.16.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 248.794 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 111.467. Het tarief van (juli) 2020, Bpm € 55.786, is toegepast omdat dat het meest gunstig is. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 24.993. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 19.184 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 5.809.
Kostenvergoeding bezwaarfase
4.17.
Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [5] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. Belanghebbendes klacht op dit punt is gegrond. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 647 per punt.
Immateriëleschadevergoeding
4.18.
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.19.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 juni 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond een jaar en zes maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond dertien maanden heeft geduurd komt € 583,33 voor rekening van de inspecteur en € 916,67 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [6] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 3.108. De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 5.809;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 583,33;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 916,67;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7] .

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
5.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
6.Vgl. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
7.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.