ECLI:NL:RBZWB:2025:9238
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te hoge waardering en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.096 die de inspecteur had opgelegd na een hertaxatie waarbij geen waardevermindering wegens schade werd erkend. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld omdat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 119.846 in plaats van een lagere waarde.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade die tot een waardevermindering leidt. Normale gebruiksschade zoals slijtage en kleine beschadigingen worden niet in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld op € 44.411 en de verschuldigde BPM op € 9.834, waartegenover reeds betaalde BPM van € 4.977 staat, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.857.
Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim anderhalf jaar. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur (€ 1.200) en de Staat (€ 800). Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025 en is onherroepelijk indien geen hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 4.857 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 2.000.