ECLI:NL:RBZWB:2025:9238

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/10773
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 5.096, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft de zaak op 30 september 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en de inspecteur vertegenwoordigd door mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. De hoogte van de historische nieuwprijs en de waardevermindering door schade waren de belangrijkste geschilpunten. Belanghebbende had een taxatierapport overgelegd, maar de inspecteur had een hertaxatie laten uitvoeren die geen schade constateerde. De rechtbank concludeert dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 119.846 en dat de verschuldigde BPM € 9.834 bedraagt. Aangezien belanghebbende al € 4.977 had voldaan, moet de naheffingsaanslag worden verminderd tot € 4.857.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ongeveer een jaar en acht maanden is overschreden en kent een schadevergoeding toe van € 2.000, waarvan € 1.200 voor rekening van de inspecteur en € 800 voor de Staat. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de naheffingsaanslag en kent proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.096.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, maar wel tot een te hoog bedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 4 oktober 2021 aangifte gedaan voor de registratie van een Audi SQ5, VIN eindigend op [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.977.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 8 september 2021 gevoegd. Daarin is een historische nieuwprijs vermeld van € 106.583 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 40.833. De taxateur heeft een schade berekend van € 14.441 en hiervan € 10.398 (72%) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is berekend op € 30.435.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 11 oktober 2021. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 44.411. De hertaxateur heeft geen schade geconstateerd die tot een waardevermindering van de auto zou leiden.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 10.506.

Overwegingen

Historische nieuwprijs
4.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat de afschrijving moet worden berekend aan de hand van de historische nieuwprijs van € 119.846. De inspecteur heeft ter zitting verklaard om in dit geval uit proceseconomische redenen aan te sluiten bij de historische nieuwprijs van belanghebbende.
Waardevermindering wegens schade
4.5.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen rekening is gehouden met de schade.
4.6.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [1] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2018 is en 40.682 kilometer heeft gereden.
4.9.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.10.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 119.846, zijnde de catalogusprijs van € 76.148 te vermeerderen met 21% btw (€ 15.991) en de historische Bpm (€ 27.707). De handelsinkoopwaarde is € 44.411 en de leeftijdskorting € 433. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 9.834. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 4.977 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.857.
Immateriëleschadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft op 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 9 mei 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond een jaar en acht maanden overschreden. De rechtbank ziet in de jurisprudentie en wetgeving geen aanleiding om slechts een bedrag van € 50 per half jaar toe te kennen zoals de inspecteur bepleit. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500 per half jaar, in totaal € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond een jaar en zes maanden heeft geduurd komt € 1.200 voor rekening van de inspecteur en € 800 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [2] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.857;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.200;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 800;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3] .

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
2.Vgl. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.