ECLI:NL:RBZWB:2025:9258

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/02/429315 / HA ZA 24-678 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming koopovereenkomst uien en betaling niet afgehaalde partij

Eiser sloot op 25 januari 2024 een koopovereenkomst met gedaagden voor rode, gele en donkere Groningen uien, waarbij levering door afhaling zou plaatsvinden. Gedaagden haalde een deel van de uien niet af, waardoor levering van de donkere Groningen uien niet meer mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat voor de rode uien geen bruto voor netto gewicht was overeengekomen en dat gedaagden reeds correct had betaald. Voor de donkere Groningen uien stelde gedaagden dat een opschortende voorwaarde gold, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De rechtbank stelde vast dat gedaagden tekort was geschoten in haar verplichtingen en veroordeelde haar tot betaling van € 70.850,00 plus wettelijke handelsrente.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van € 1.795,04 en proceskosten van € 10.767,23 toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 70.850,00 voor niet afgehaalde uien, incassokosten en proceskosten, en eiser is bevrijd van resterende verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/429315 / HA ZA 24-678
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser] V.O.F.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.A.C. Nagel,
tegen

1.[gedaagde 1] V.O.F.,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats 2] ,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. W.M. Bijloo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overleggen producties zijdens [eiser] met productie 24 en 25;
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van partijen zijn gehecht.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 111.813,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur zijnde 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 3.301,85 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
III. Voor recht zal verklaren dat [eiser] bevrijd is van haar resterende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst dan wel te bepalen dat [eiser] bevrijd is van haar resterende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst;
IV. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de dag van dit vonnis.
2.2.
Aan haar vorderingen legt [eiser] (kort gezegd) ten grondslag dat zij met [gedaagden] op 25 januari 2024 een koopovereenkomst heeft gesloten voor een partij rode uien, een partij gele uien en een partij donkere Groningen uien. Levering zou geschieden door afhaling door [gedaagden] . Daarbij was voor partijen duidelijk, mede gelet op de staat (versheid) van de uien, dat de afhaling op korte termijn diende te gebeuren. [gedaagden] heeft echter niet voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst door een deel van de uien laat of geheel niet af te halen. Omdat levering van de overeengekomen partijen uien door het tijdsverloop niet meer mogelijk is vordert [eiser] nakoming door [gedaagden] door te betalen voor de gekochte, maar niet afgehaalde uien, terwijl [eiser] op haar beurt wordt bevrijd van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst.
2.3.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.4.
[gedaagden] voert aan dat voor de rode en de gele uien is betaald in overeenstemming met de afspraken tussen partijen. Ten aanzien van de donkere Groningen uien voert [gedaagden] aan dat deze zijn gekocht onder de opschortende voorwaarde van een goedgekeurde proefvracht. De proefvracht van de donkere Groningen (en ook een tweede proefvracht) is afgekeurd, zodat voor deze uien geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, althans deze is ontbonden. [gedaagden] stelt zich dus op het standpunt dat [eiser] niets van haar te vorderen heeft.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

Gele uien
3.1.
Vooropgesteld wordt dat partijen ter zitting nadrukkelijk hebben verklaard dat tussen hen geen discussie bestaat over de koop van de partij gele uien. Beide partijen hebben op dit punt aan hun verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst voldaan, zodat dit geen nadere bespreking behoeft. In het hierna volgende zal de rechtbank eerst ingaan op de partij rode uien en daarna op de partij donkere Groningen uien.
Rode uien
3.2.
Tussen partijen staat vast dat zij een koopovereenkomst hebben gesloten voor een partij rode uien tegen een prijs van € 0,50 per kilo. Ook staat vast dat is overeengekomen dat levering van de uien zou geschieden door afhaling door [gedaagden] , dat [gedaagden] de uien heeft afgehaald en dat [gedaagden] een bedrag van € 109.621,41 voor de rode uien heeft betaald.
3.3.
[eiser] stelt dat [gedaagden] € 23.358,59 te weinig heeft betaald voor de rode uien, omdat bruto voor netto 244.000 kilo rode uien zijn geleverd en [gedaagden] dus € 132.980,00 (inclusief btw) had moeten betalen. [eiser] onderbouwt daarbij niet waaruit volgt dat partijen bruto voor netto levering waren overeengekomen. [gedaagden] voert hiertegen ook verweer.. Volgens [gedaagden] betreft de partij rode uien klasse 2 uien, waarbij een bruto voor netto gewicht niet gebruikelijk is. Gebruikelijk is juist dat wordt betaald voor het aantal netto kilo’s. Netto bedroeg de partij rode uien 201.384 kilo, waarvoor [gedaagden] heeft betaald.
3.4.
Het verweer van [gedaagden] slaagt. In de door partijen overgelegde WhatsApp-correspondentie valt namelijk te lezen dat partijen voor de andere partijen uien (de gele uien en de donkere Groningen uien) nadrukkelijk een bruto voor netto gewicht zijn overeengekomen. Voor de rode uien is dat niet gespecificeerd. Mede gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagden] over het gebruik binnen de markt, heeft [eiser] haar stelling dat voor de partij rode uien een bruto voor netto gewicht is overeengekomen en [gedaagden] op die basis dient te betalen, onvoldoende onderbouwd.
3.5.
Omdat [gedaagden] reeds heeft betaald voor de uien die netto zijn afgenomen en [eiser] niet heeft gesteld dat netto een ander gewicht is geleverd, zal de vordering van [eiser] voor wat betreft de rode uien worden afgewezen.
Donkere Groningen
3.6.
Ten aanzien van de donkere Groningen dient eerst te worden vastgesteld of een koopovereenkomst tot stand is gekomen. [gedaagden] voert namelijk het verweer dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen, welke is ingetreden zodat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen.
3.7.
De rechtbank stelt voorop dat, nu [gedaagden] zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar gestelde opschortende voorwaarde, op haar de stelplicht (en zo nodig bewijslast) rust. [gedaagden] stelt in dat verband dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden] de donkere Groningen alleen zou afnemen als deze op basis van een proefvracht geschikt werden bevonden door de schillerij in Polen. Mede gelet op de betwisting door [eiser] , heeft [gedaagden] onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat deze opschortende voorwaarde is overeengekomen. In de door partijen overgelegde WhatsApp-correspondentie valt namelijk wel iets te lezen over een proefvracht, maar daaruit blijkt niet om welke partij uien het gaat en ook niet dat een goedgekeurde proefvracht een voorwaarde zou zijn voor het tot stand komen van de koopovereenkomst. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat deze afspraak blijkt uit de koopbevestiging, maar dat deze is kwijtgeraakt in de post. Nu dit stuk niet in het geding kan worden gebracht en omdat [eiser] de afspraak betwist, is dit onvoldoende om de stelling van [gedaagden] te dragen. Andere stukken of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de opschortende voorwaarde is overeengekomen, zijn door [gedaagden] niet aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [gedaagden] toe te laten tot het leveren van (nader) bewijs.
3.8.
Het voorgaande betekent dat niet komt vast te staan dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen. Omdat [gedaagden] de inhoud van de koopovereenkomst zoals gesteld door [eiser] niet heeft betwist, staat daarmee vast dat [gedaagden] gehouden was 350.000 kilo (bruto voor netto) donkere Groningen af te nemen tegen een bedrag van € 0,25 per kilo.
3.9.
[eiser] stelt dat [gedaagden] tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen de donkere Groningen af te halen en daarvoor te betalen. Dat [gedaagden] dat niet heeft gedaan, is niet in geschil. [gedaagden] voert in dat verband nog aan dat de uien van zodanig slechte kwaliteit waren dat zij niet kon worden gehouden ze af te halen. Voor zover [gedaagden] zich daarmee beoogt te beroepen op non-conformiteit van de uien, overweegt de rechtbank dat uit de WhatsApp-correspondentie tussen partijen duidelijk volgt dat partijen bij aanvang van de koopovereenkomst wisten dat het van belang was dat de uien zo spoedig mogelijk werden opgehaald. Dat [gedaagden] vervolgens – ondanks herhaalde vragen van [eiser] wanneer de uien werden opgehaald – (te) lang heeft gewacht met het afhalen van de uien waardoor de kwaliteit (logischerwijs) achteruit is gegaan, kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen.
3.10.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst. Voor de vorderingen van [eiser] betekent dit dat de vordering tot nakoming door betaling voor de donkere Groningen uien zal worden toegewezen. Uit de factuur die [eiser] aan [gedaagden] heeft gezonden blijkt dat in totaal 342.320 kilo (bruto voor netto) donkere Groningen in rekening zijn gebracht. Dat bestaat uit een lading van 82.320 kilo en 260.000 kilo niet afgehaalde uien. [gedaagden] heeft onweersproken aangevoerd dat zij heeft betaald voor de eerste lading. Dat betekent dat zij nog dient te betalen voor de 260.000 kilo niet afgehaalde uien en derhalve een bedrag van € 70.850,00 inclusief btw (€ 65.000,00 exclusief btw) toewijsbaar is. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente zal over dit bedrag worden toegewezen. [gedaagden] heeft in dat verband geen inhoudelijk verweer gevoerd, maar zij heeft wel aangevoerd dat als zij wettelijke handelsrente verschuldigd is, zij dit pas 30 dagen na de vervaldatum van de factuur van 2 maart 2024 verschuldigd is. Omdat dit in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6:119a lid 2 sub a BW en [eiser] geen omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat een kortere betalingstermijn zou zijn overeengekomen, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf 2 april 2024.
3.11.
Daarnaast zal ook de verklaring voor recht dat [eiser] bevrijd is van haar resterende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst worden toegewezen. Immers, vanwege het verzuim aan de zijde van [gedaagden] en het tijdsverloop is levering van de donkere Groningen niet (meer) mogelijk.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.12.
[eiser] maakt voorts aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank – anders dan [gedaagden] aanvoert – voldoende gemotiveerd gesteld dat het kosten betreffen die in redelijkheid zijn gemaakt. De buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom met inachtneming van het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief worden toegewezen tot een bedrag van € 1.795,04 (inclusief btw).
Proceskosten
3.13.
[gedaagden] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
114,23
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.767,23
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijkheid
3.15.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 70.850,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 2 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.795,04 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 10.767,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.