Eiser heeft op 7 maart 2025 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een herbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn op deze aanvraag beslist. Eiser heeft het UWV op 24 juli 2025 ingebreke gesteld, waarna het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de beperkte capaciteit van verzekeringsartsen acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 24 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.