Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:9300

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/2625
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZArt. 19a Wet BPM 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning en toekenning proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €295.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de zitting op 10 november 2025 bereikten partijen overeenstemming over een verlaging van de WOZ-waarde tot €277.000, waardoor het beroep in zoverre gegrond werd verklaard. Daarnaast vorderde belanghebbende vergoeding van de kosten voor het taxatierapport, welke door de heffingsambtenaar werd betwist.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende onderbouwing had gegeven voor de gevraagde vergoeding van €128,26 en wees een redelijke vergoeding van €52 toe. Verder werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten, waarbij de rechtbank de proceskostenvergoeding berekende op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de zwaarte van de zaak.

De uitspraak vernietigde het bezwaarbesluit, stelde de WOZ-waarde bij, en legde de heffingsambtenaar op de kosten van het proces te vergoeden.

Uitkomst: WOZ-waarde verminderd tot €277.000 en heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2625 WOZ
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 januari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 295.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tilburg voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Hangende het beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de verlaging van de WOZ-waarde tot een bedrag van € 277.000. Het beroep is in zoverre gegrond.
De kosten van het taxatierapport
2.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor het taxatierapport een vergoeding moet worden toegekend van € 128,26 (twee uur à € 53 vermeerderd met 21% btw).
2.2.
De heffingsambtenaar stelt dat een vergoeding van € 52 voor het taxatierapport passend en redelijk is, omdat sprake is van massale, uniform ingerichte rapporten met beperkte handmatige bewerking en concrete verifieerbare urenspecificaties en betaalbewijzen ontbreken.
2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van belanghebbende om over de hoogte van de gemaakte kosten en/of over de tijdbesteding voldoende gegevens aan te dragen, omdat hij de vergoeding voor de kosten vraagt en de hoogte van de gestelde kosten gemotiveerd is betwist door de heffingsambtenaar. Naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende echter geen onderbouwing gegeven waarom een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport redelijk zou zijn. Belanghebbende heeft niet onderbouwd hoe het taxatierapport tot stand is gekomen, hoeveel tijd hieraan is besteed en wat de deskundigheid is van degenen die aan het rapport hebben gewerkt. Voorts merkt de rechtbank op dat in het taxatierapport geen KOUDV-factoren zijn opgenomen met betrekking tot de referentieobjecten. Daarnaast bevat het taxatierapport geen informatie over de bijgebouwen van de woning en de referentieobjecten. De rechtbank oordeelt daarom dat het aannemelijk is dat een vergoeding voor het taxatierapport van twee uur maal € 53 in dit geval leidt tot een disproportionele vergoeding zoals bedoeld in het Richtsnoer 2024. [1] De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 52 voor de kosten van het taxatierapport redelijk is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde tot een bedrag van € 277.000. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
3.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In overeenstemming met hetgeen partijen zijn overeengekomen kent de rechtbank voor de bezwaarfase een vergoeding toe van € 647 voor het bezwaarschrift en € 647 voor de hoorzitting. Daarnaast kent de rechtbank een vergoeding toe van € 52 voor het taxatierapport. De vergoeding voor de bezwaarfase bedraagt in totaal € 1.346. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,5 toegepast (geen materieel geschil in beroep). De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25. [2] De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 226,75.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 277.000;
- vermindert de aanslag dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.572,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
2.Dat staat in artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ / artikel 19a eerste en tweede lid, van de Wet BPM 1992.