In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van vrijheidsberoving, afpersing en diefstal met geweld. De verdachte, geboren in 2003, heeft samen met anderen een slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden, en heeft hem onder bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van zijn bezittingen. De feiten vonden plaats op 12 maart 2022 in Roosendaal en België. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig is aan de ten laste gelegde feiten, mede op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en het bewijs dat is geleverd door de aangifte en verhoor van het slachtoffer. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 150 uren. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en zijn positieve proceshouding. De rechtbank heeft besloten om het volwassenenstrafrecht toe te passen, ondanks de jeugdige leeftijd van de verdachte, omdat de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden gering zijn. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de rechters de zaak op een openbare zitting hebben behandeld.