ECLI:NL:RBZWB:2025:9308

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
02-163345-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van vrijheidsberoving, afpersing en diefstal met geweld door meerdere personen

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van vrijheidsberoving, afpersing en diefstal met geweld. De verdachte, geboren in 2003, heeft samen met anderen een slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden, en heeft hem onder bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van zijn bezittingen. De feiten vonden plaats op 12 maart 2022 in Roosendaal en België. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig is aan de ten laste gelegde feiten, mede op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en het bewijs dat is geleverd door de aangifte en verhoor van het slachtoffer. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 150 uren. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en zijn positieve proceshouding. De rechtbank heeft besloten om het volwassenenstrafrecht toe te passen, ondanks de jeugdige leeftijd van de verdachte, omdat de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden gering zijn. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de rechters de zaak op een openbare zitting hebben behandeld.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-163345-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende op het [adres] ,
raadsvrouw mr. T. Šandrk, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 december 2025, waarbij officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden (feit 1), hem heeft afgeperst en (onder dreiging) met geweld goederen van hem heeft gestolen (feit 2).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert ten aanzien van het ten laste gelegde geen verweer en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 13 maart 2022;
- het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] van 29 maart 2022;
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 16 december 2025.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 12 maart 2022 te Roosendaal en België, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door die [slachtoffer] te slaan en te trappen en messen te tonen en een mes tegen de buik van die [slachtoffer] te drukken en die [slachtoffer] in een auto te laten stappen en aan weerszijden van die [slachtoffer] te gaan zitten en met hem naar België te rijden;
2
op 12 maart 2022 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van sleutels die aan die [slachtoffer] toebehoorden en € 75 en een GSM en een portemonnee die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] te slaan en te trappen en messen te tonen en een mes tegen de buik van die [slachtoffer] te drukken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij vordert de officier van justitie, in lijn met wat door verdachte zelf is verzocht, om bijzondere voorwaarden op te leggen ten aanzien van reclasseringstoezicht en begeleid wonen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit om de positief veranderde proceshouding en ook overigens verbeterde persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen en geen gevangenisstraf op te leggen, ook niet voorwaardelijk. Daarbij is opgemerkt dat het oudere feiten betreft en dat verdachte in de tussentijd is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij het jeugdstrafrecht is toegepast. In dat kader is ter zitting door de verdediging een reclasseringsrapport van 11 oktober 2022 overgelegd, welk rapport aan het dossier is toegevoegd. Verzocht is om een werkstraf van 100 uur op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie, met bijzondere voorwaarden ten aanzien van reclasseringstoezicht en begeleid wonen, met een proeftijd van twee jaar.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Jeugd- of volwassenenstrafrecht
In het genoemde reclasseringsrapport uit 2022 wordt geen eenduidig advies tot toepassing van het adolescenten- dan wel volwassenstrafrecht gegeven. Wel zijn er aanknopingspunten genoemd voor het adolescentenstrafrecht, maar met name de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden waren gering en de geadviseerde interventies waren ook binnen het volwassenenstrafrecht beschikbaar. Daarom werd geconcludeerd tot toepassing van het volwassenstrafrecht en voortzetting van jeugdreclassering. Inmiddels, ruim drie jaren en de nodige ontwikkelingen verder, is pedagogische beïnvloeding naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde. Dat dit mogelijk wel aan de orde was op het moment dat het feit gepleegd werd, maakt dit niet anders. Het uitgangspunt is toepassing van het volwassen sanctierecht op volwassen verdachten. De rechtbank ziet ook voor het overige geen aanknopingspunten om deze zaak te behandelen volgens het jeugdstrafrecht en zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van ernstige feiten, waarbij hij met drie anderen een nietsvermoedende man heeft mishandeld en hem zijn autosleutel, geld, telefoon, portemonnee én vrijheid heeft afgenomen. De man is misleid, geschopt, geslagen, bedreigd met een mes en gedwongen om achterin zijn eigen auto plaats te nemen, niet wetende hoe en waar de reis zou eindigen. Dit moet een buitengewoon beangstigende ervaring voor hem zijn geweest. Slachtoffers van dit soort geweld ondervinden daarvan vaak nog jarenlang gevolgen. Verdachte heeft zich daar toen geen moment om bekommerd en dat is bijzonder kwalijk.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij al veel vaker is veroordeeld, voor zeer uiteenlopende strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. De rechtbank weegt deze omstandigheid in strafverzwarende zin mee. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte, meer specifiek zijn bekennende verklaring op zitting. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven over zijn rol en handelen. Ook heeft verdachte verklaard inmiddels te beseffen dat hij iemand iets vreselijks heeft aangedaan, daarvan spijt te hebben en zich te schamen voor zijn gedrag uit het verleden. Verdachte wil graag een toekomst opbouwen zonder criminaliteit en niet meer in aanraking komen met justitie. Hij heeft daartoe al enkele concrete en veelbelovende stappen gezet, onder meer op het gebied van behandeling, medicatie, werk en huisvesting. Verdachte lijkt intrinsiek gemotiveerd te zijn om zijn leven daadwerkelijk en drastisch te veranderen. De rechtbank acht dat positief. Verder houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds de pleegdatum en met de tussentijdse veroordeling van verdachte door een andere rechtbank voor soortgelijke feiten in nagenoeg dezelfde pleegperiode.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf in beginsel noodzakelijk, maar alles afwegend zal zij hier in dit specifieke geval niet toe overgaan. Bij dat oordeel kent de rechtbank veel gewicht toe aan de positieve proceshouding van verdachte en het feit dat zij de positieve weg die verdachte is opgegaan, niet wil doorkruisen. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uur en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden en een proeftijd van twee jaar, met bijzondere voorwaarden op het gebied van reclasseringstoezicht en begeleid wonen. Hiermee wordt verdachte enerzijds gestraft, maar wordt ook beoogd te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. Verdachte loopt op dit moment in een proeftijd met dezelfde bijzondere voorwaarde, maar heeft aangegeven dat hij heel graag langer de kans zou krijgen om de juiste weg te volgen met de verplichte begeleiding van de reclassering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
feit 2:afpersing
en
diefstal, voorafgegaan door en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB te Arnhem en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, waaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt blijft wonen bij [verblijfplaats] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem opstelt;
* dat verdachte zijn behandeling bij Fivoor dan wel een andere zorgverlener, te bepalen door de reclassering, voortzet gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dit nodig vindt en zich houdt aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* dat verdachte zich met betrekking tot drugs- en alcoholgebruik houdt aan de richtlijnen van de reclassering, ook als dat inhoudt volledige abstinentie, en dat hij meewerkt aan controle op dit verbod volgens de manier en frequentie die de reclassering nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 150 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. S. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting op 30 december 2025.