ECLI:NL:RBZWB:2025:9323

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
02-183777-24 en 02-004915-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrecht: Poging tot doodslag en bedreiging met vuurwapen door minderjarige

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2006. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 4 juni 2024, waarbij de verdachte wordt beschuldigd van poging tot doodslag en bedreiging met een vuurwapen gericht op het slachtoffer. Tijdens de zitting op 16 december 2025, die achter gesloten deuren plaatsvond, hebben de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten gepresenteerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer was, maar dat de verdachte wel schuldig is aan bedreiging. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot doodslag, omdat niet kon worden vastgesteld dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft wel een bekennende verklaring afgelegd over de bedreiging, wat leidde tot een veroordeling tot een werkstraf van 120 uur en een vervangende jeugddetentie van 60 dagen. De rechtbank heeft ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meewerken aan forensische behandeling en het vinden van een zinvolle dagbesteding. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere werkstraf is afgewezen, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig had gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-183777-24 en 02-004915-24 (TUL)
vonnis van de meervoudige kamer van 30 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 16 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel heeft bedreigd door met een vuurwapen in zijn richting te schieten.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gericht op aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft geschoten. Zij baseert zich daarbij op de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat een kogelgat is aangetroffen in het portier van een auto. Daaruit kan worden opgemaakt dat gericht is geschoten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft nimmer de intentie gehad om [slachtoffer] te doden, maar gehandeld uit schrik in een onbedoeld geëscaleerde situatie, met de bedoeling om [slachtoffer] af te schrikken. Verdachte heeft niet gericht op of in de richting van [slachtoffer] geschoten. Uit het dossier blijkt niet dat het zonder meer mogelijk was dat [slachtoffer] door de kogel zou worden geraakt. Nu niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] zich in de baan van het schot bevond, is er geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel en daarmee ook niet van voorwaardelijk opzet daarop. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten
Tussen verdachte en [slachtoffer] bestaan al langer spanningen. Op 4 juni 2024 zat [slachtoffer] achter op de scooter bij [persoon] en reden zij door de Nieuwstraat te Gilze. Zij kwamen in botsing met een auto die een parkeervak verliet. Tijdens het invullen van het schade-formulier kwam verdachte als bestuurder van een Volvo personenauto door de Nieuwstraat rijden en vroeg hij aan [persoon] wat hij en [slachtoffer] in Gilze deden. Nadat [persoon] had gezegd dat verdachte beter door kon rijden, heeft verdachte dat ook gedaan. Kort daarna is verdachte echter weer terug de Nieuwstraat ingereden. [slachtoffer] is toen naar de Volvo gerend en heeft daarvan de achterruit ingeslagen. Verdachte is vervolgens weggereden, richting de Meester Schoutenstraat. Op de hoek van de straat heeft verdachte vanuit de Volvo geschoten met een vuurwapen. Vervolgens is verdachte weggereden en is [slachtoffer] ook vertrokken.
Poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet komen vast te staan dat verdachte (vol of voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank kan niet vaststellen dat het de bedoeling van verdachte was om [slachtoffer] om het leven te brengen. Verdachte heeft dit uitdrukkelijk ontkend en in het dossier bevinden zich ook overigens geen aanwijzingen dat dit het geval is geweest. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen.
Van voorwaardelijke opzet is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van een bepaald gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Weliswaar staat vast dat verdachte vanuit de Volvo heeft geschoten, maar de details van dit schieten – met name of er gericht is geschoten, waar [slachtoffer] precies stond ten tijde van het afdrukken, op welke afstand dit was ten opzichte van verdachte en hoe dit zich verhoudt tot de schotbaan – blijken onvoldoende uit het dossier. Onder die omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen hoe waarschijnlijk het is geweest dat [slachtoffer] door een kogel zou worden geraakt, laat staan dat die kans aanmerkelijk is geweest.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bedreiging
Aangezien verdachte ten aanzien van dit subsidiaire ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 16 december 2025;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] op 4 juni 2024, opgenomen op pagina 66 en 67 van het eindproces-verbaal met dossiernummers ZB4R024064 (Patton)/PL2000-2024139835.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 juni 2024 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen te richten in de richting van die [slachtoffer] en
(vervolgens) met een vuurwapen te schieten.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 210 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 182 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf op te leggen van 200 uur. Zij vordert de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn jeugdige leeftijd, zijn veranderbereidheid en de positieve ontwikkelingen die hij heeft doorgemaakt. Gelet op voornoemde omstandigheden is de verdediging van mening dat bij een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde een voorwaardelijke jeugddetentie dient te worden opgelegd, gecombineerd met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. In het geval van een bewezen-verklaring van het subsidiair tenlastegelegde verzoekt de verdediging enkel een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door in de nabijheid van [slachtoffer] te schieten met een vuurwapen. Een dergelijk delict veroorzaakt naast angst bij het slachtoffer, veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Het schietincident heeft op klaarlichte dag op de openbare weg plaatsgevonden. Meerdere personen die aanwezig waren in de Nieuwstraat te Gilze, zoals de bestuurder van de auto waarmee [persoon] en [slachtoffer] in botsing waren gekomen en zijn vriendin, hebben het schot gehoord en zijn geconfronteerd met dit feit.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij in het verleden niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is verdachte op 18 maart 2024 door de kinderrechter veroordeeld voor twee vermogensdelicten. Artikel 63 Sr is dus van toepassing.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van psycholoog drs. [naam] d.d. 23 september 2024. Hieruit blijkt, kort samengevat, dat er bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en ADHD met een gecombineerd beeld, met forse informatieverwerkingsproblemen tot gevolg. Gezien de aard van de stoornis kan worden gesteld dat deze ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig zijn geweest. Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico gericht op een soortgelijk geweldsdelict wordt in de toekomst zonder behandeling/interventie als laag tot matig ingeschat. Behandeling van de impulsiviteit, samenhangend met de ADHD, is aangewezen om het risico op recidive te verminderen. De leerstraf So-Cool verlengde variant wordt geadviseerd. Daarnaast kan ambulante behandeling bij bijvoorbeeld Fivoor helpend zijn. Om dit alles in goede banen te leiden is toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering nodig.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de rapportage van de Raad en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. Gezien wordt dat verdachte meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt, voornamelijk school- en werkgerelateerd. Dit heeft ertoe geleid dat verdachte tot op heden geen structurele dagbesteding heeft. Verder komen tijdens het raadsonderzoek zorgen naar voren over de agressieregulatie en de vaardigheden van verdachte. Verdachte heeft moeite om anderen te vertrouwen en zich open te stellen voor behandeling. Ook wordt door de Raad gezien dat verdachte inmiddels al verschillende positieve stappen heeft gezet. Verdachte volgt behandeling bij Fivoor en ondanks dat hij hier niet altijd de meerwaarde van inziet, gaat hij hier wel naartoe en verlopen deze begeleidingsmomenten goed. Ook is verdachte gemotiveerd om te gaan werken en probeert hij dit zelf op te pakken. Door de psycholoog is naast de behandeling vanuit Fivoor ook de leerstraf So-Cool geadviseerd. Deze leerstraf is gericht op het vergroten van de vaardigheden van verdachte. Deze vaardigheden worden ook meegenomen in een behandeling vanuit Fivoor, waardoor de Raad minder waarde ziet in deze leerstraf.
De Raad adviseert verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast adviseert de Raad verdachte een werkstraf op te leggen.
De Raad adviseert daarbij, naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen, de bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte meewerkt aan forensische behandeling door Fivoor of een soortgelijke instelling en aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk, zover de behandeling dit toelaat. Daarbij wordt geadviseerd aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam de opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Ook adviseert de Raad de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat verdachte de intentie heeft om zijn leven op de rit te krijgen. Verdachte baalt er zelf ook van dat hij veel zaken nog niet op orde heeft. Hij wil graag zelf zaken zoals werk regelen, maar dat lukt hem niet altijd. Daarbij vindt verdachte het moeilijk om hulp te accepteren. Wanneer hij ergens geen zin in heeft, werkt hij niet mee. De jeugdreclassering vindt het dan ook fijn dat de hulpverlening door Fivoor is opgestart en verdachte hieraan meewerkt. De jeugdreclassering ondersteunt het advies zoals gegeven door de Raad.
De straf
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. Binnen het jeugdstrafrecht wordt bij het bepalen van de straf veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, waaronder de voortdurende spanningen tussen verdachte en het slachtoffer, maar ook dat er op straat geschoten is met een vuurwapen, waarbij verschillende mensen aanwezig waren omdat het feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden. De oriëntatiepunten voor bedreiging zijn dan ook niet zomaar van toepassing, naar het oordeel van de rechtbank. Dit betreft een zeer ernstige bedreiging, die tot hele grote gevolgen had kunnen leiden. Ook heeft de rechtbank oog voor de jeugdige leeftijd en achtergrond van verdachte.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat in beginsel een jeugddetentie voor de duur van 119 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, passend is, met daarnaast een werkstraf van 120 uur. Het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie wordt opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 77za Sr om dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen. Gelet op het advies van het NIFP, waarin het recidiverisico als laag tot matig wordt geschat, en het feit dat verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat géén sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een geweldsmisdrijf zal begaan. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

7.Het beslag

7.1
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het hierna in de beslissing nader genoemde in beslaggenomen mes aan het verkeer onttrekken. Gebleken is dat het mes bij het onderzoek naar het ten laste gelegde feit is aangetroffen. Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
7.2
De teruggave
De rechtbank zal van de hierna in de beslissing nader genoemde in beslaggenomen kentekenplaat de teruggave gelasten aan de rechtmatige eigenaar, omdat die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 18 maart 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde werkstraf worden gelast. Aangezien verdachte is gerecidiveerd voor een ander soort delict en het nu uitvoeren van nog een werkstraf moeilijk te verenigen is met het succesvol doorlopen van voor verdachte noodzakelijk geachte hulpverleningstraject bij Fivoor, zal de rechtbank de vordering afwijzen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
60 dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 119 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* meewerkt aan een forensische behandeling door Fivoor, of een soortgelijke instelling;
* meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk, voor zover de behandeling dit toelaat;
- draagt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam als gecertificeerde instelling op om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en aan het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* Mes (omschrijving: PL2000-2024139835-G2733546);
- gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* Kentekenplaat (omschrijving: PL2000-2024139835-G2751981);
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in de zaak onder parketnummer 02-004915-24;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter tevens kinderrechter, mr. S. Tempel en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 december 2025.