ECLI:NL:RBZWB:2025:9336

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
210298623
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontuchtige handelingen gepleegd door minderjarige met slachtoffer onder de zestien jaar

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2008, die beschuldigd werd van het plegen van ontuchtige handelingen met een slachtoffer, geboren in 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 16 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. E.A. Kools, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging omvatte ontuchtige handelingen die plaatsvonden tussen 26 en 31 december 2021. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan deze handelingen, ondanks de verdediging die stelde dat er geen sprake was van ongelijkwaardigheid door het geringe leeftijdsverschil van twee jaar en vijf maanden. De rechtbank benadrukte dat de seksuele handelingen in strijd waren met de sociaal-ethische norm en dat de minderjarige bescherming nodig had. De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf van 80 uur, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn jeugdige leeftijd en de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-102986-23
vonnis van de meervoudige kamer van 30 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 16 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. E.A. Kools, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 26 december 2021 tot en met 31 december 2021 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte diverse ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). [slachtoffer] heeft daarover duidelijk en consistent verklaard. Ook voor wat betreft het voelen aan de vagina van [slachtoffer] over de kleding heen kan worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte erkent dat hij rond kerst 2021 [slachtoffer] in haar slaapkamer op de mond heeft gekust, met haar heeft getongzoend, haar borsten heeft betast en daaraan heeft gelikt. Hij betwist dat hij met zijn hand/vingers aan haar vagina heeft gevoeld. Het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] is twee jaar en vijf maanden. Dat is niet zo groot dat het per definitie leidt tot ongelijkwaardigheid. Verdachte is weliswaar ouder dan [slachtoffer] , maar loopt zelf qua ontwikkeling achter op zijn kalenderleeftijd. Voorts blijkt uit het dossier onvoldoende dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer] onvrijwillig waren, laat staan dat dit voor verdachte kenbaar was. Verdachte en [slachtoffer] hadden verkering met elkaar. Uit de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris blijkt dat [slachtoffer] niet uitdrukkelijk heeft laten weten aan verdachte dat zij de ten laste gelegde seksuele handelingen niet heeft gewild. De seksuele handelingen die verdachte bij [slachtoffer] heeft verricht, zijn onder voormelde omstandigheden niet ontuchtig.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht stelt in beginsel alle ontuchtige handelingen, gepleegd met jeugdigen beneden de leeftijd van zestien jaar strafbaar, ter bescherming van deze jeugdigen. Onder omstandigheden kan bij deze seksuele handelingen het ontuchtige karakter en daarmee de wederrechtelijkheid ontbreken. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat van ontuchtige handelingen sprake is wanneer seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De ontuchtigheid van het handelen kan bijvoorbeeld ontbreken als sprake is van vrijwillig seksueel contact tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en een affectieve relatie hebben. De vraag of de handelingen ontuchtig zijn, dient steeds te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Hoewel daarover in het algemeen geen scherpe afgrenzing kan worden gegeven, dient in elk geval wel sprake te zijn van een zekere gelijkwaardigheid.
In het geval van verdachte en [slachtoffer] is sprake van een leeftijdsverschil van twee jaar en vijf maanden. De bewezenverklaarde handelingen vonden plaats rond de elfde verjaardag van [slachtoffer] . Er was volgens [slachtoffer] geen sprake van een affectieve relatie, terwijl verdachte verklaart dat dit wel het geval was. Verdachte heeft verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode met [slachtoffer] op haar slaapkamer is geweest en dat hij de seksuele handelingen heeft verricht die in de tenlastelegging staan, met uitzondering van het met de hand/vingers aan de vagina van [slachtoffer] voelen. Ook niet over de kleding heen. Uit de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris blijkt dat verdachte wel heeft gevraagd of hij bepaalde handelingen mocht verrichten, maar op een zodanige manier dat er voor [slachtoffer] een zekere druk van uitging. Vervolgens heeft verdachte onvoldoende de weerstand van [slachtoffer] her- en erkend. Illustratief in dat kader is zijn verklaring ter zitting dat hij wel had opgemerkt dat [slachtoffer] trilde, maar dacht dat ze dat deed omdat ze bepaalde handelingen fijn vond. Zelfs als [slachtoffer] en verdachte een relatie hadden, zoals verdachte veronderstelt, moet [slachtoffer] als minderjarige volgens de bedoeling van de wetgever worden beschermd in haar belang.
De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen die verdachte bij [slachtoffer] heeft verricht in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee een ontuchtig karakter hebben. Zoals hiervoor overwogen, hebben de handelingen niet met instemming van [slachtoffer] plaatsgevonden en evenmin was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een affectieve relatie. Het leeftijdsverschil duidt de rechtbank ook anders dan de verdediging; hoewel het in jaren relatief gering was, ging het wel om een jongen die al op de middelbare school zat en een meisje dat nog op de basisschool zat. Bovendien is er niet alleen bij verdachte sprake van een achterstand in de ontwikkeling ten opzichte van de kalenderleeftijd, maar ook bij [slachtoffer] . Dit heeft dan ook geen ‘matigende’ invloed op het leeftijdsverschil. Om vast te stellen welke van de ten laste gelegde seksuele handelingen verdachte heeft verricht, gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte, nu uit het dossier niet met voldoende zekerheid blijkt dat er tussen verdachte en [slachtoffer] meer is gebeurd dan verdachte heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte met zijn hand/vingers aan de vagina van [slachtoffer] heeft gevoeld, zodat verdachte daarvoor partieel zal worden vrijgesproken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 26 december 2021 tot en met 31 december 2021 te [plaats] , met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
- die [slachtoffer] op de mond te kussen,
- die [slachtoffer] meerdere tongzoenen te geven,
- de borsten van die [slachtoffer] te betasten,
- de borsten van die [slachtoffer] te likken.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte wordt hierdoor redelijkerwijs niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van zes weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan de specialistische hulpverlening, individueel of systemisch, en aan traumabehandeling, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de volgende omstandigheden:
  • Verdachte is een zogenoemde ‘first offender’ en was ten tijde van het ten laste gelegde pas 13 jaar oud.
  • Het betreft een erg oude zaak en de redelijke termijn voor jeugdzaken is ruimschoots overschreden.
  • De gedane aangifte heeft al veel negatieve gevolgen voor verdachte gehad.
  • Verdachte ontvangt al geruime tijd hulpverlening en staat ook open voor verdere hulpverlening en/of behandeling ten aanzien van zijn seksuele ontwikkeling.
  • Verdachte heeft een brief geschreven aan [slachtoffer] en daarin zijn medeleven betuigd.
Gelet op deze omstandigheden verzoekt de verdediging om slechts een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daaraan gekoppeld het toezicht van de jeugdreclassering en het verplicht meewerken aan specialistische hulpverlening zoals geadviseerd door de Raad.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Algemene overweging
De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht. In zijn beleving had hij een relatie met [slachtoffer] en was bij binnen deze relatie aan het experimenteren. Hij heeft [slachtoffer] gevraagd of hij bepaalde seksuele handelingen mocht verrichten, maar is hierin wel dwingend geweest, onder meer door diezelfde vraag meerdere keren te stellen. Ook heeft hij bepaalde signalen die door [slachtoffer] zijn afgegeven niet gezien en is hierdoor over de grenzen van [slachtoffer] en daarmee ook over de strafrechtelijke grenzen gegaan. Dat verdachte dat niet te kwader trouw heeft gedaan, maakt voor de bewezenverklaring weliswaar niet uit, maar bij het bepalen van de strafmaat wel.
De rechtbank merkt op dat verdachte rond de periode van het ten laste gelegde feit deel is gaan uitmaken van de familie van [slachtoffer] . De vader van verdachte is destijds gehuwd met de zus van de vader van [slachtoffer] . Als gevolg van het bewezenverklaarde is de relatie tussen verdachte en zijn vader verslechterd en het contact tussen verdachte en de nieuw aangetrouwde familie van zijn vader verbroken. Het is voor de rechtbank duidelijk dat wat er is gebeurd op alle betrokkenen grote impact heeft gehad.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gezien dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de rapportages van de Raad en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad heeft meerdere onderzoeken gedaan gezien het tijdsverloop, maar het advies is door de jaren heen hetzelfde gebleken. Gezien wordt dat verdachte een groei heeft doorgemaakt in zijn sociale ontwikkeling en heeft laten zien vaardigheden te bezitten om een baan te behouden. De Raad vindt het een kracht dat verdachte steeds heeft meegewerkt aan behandeling voor zijn seksuele ontwikkeling en nu ook open staat voor traumabehandeling. Ook de voortzetting van het toezicht door de jeugdreclassering is nog noodzakelijk. De jeugdreclassering kan met verdachte gesprekken voeren ten aanzien van zijn seksuele ontwikkeling in relatie tot zijn leeftijd, gelinkt aan het verminderen van recidive. Omdat verdachte zich relationeel en seksueel blijft ontwikkelen is het belangrijk om de geldende veiligheidsafspraken met verdachte en zijn netwerk te blijven bespreken en zo nodig aan te passen. De Raad vindt het belangrijk dat verdachte eerst traumabehandeling start en dat de jeugdreclassering daarna beoordeelt welke inzet van hulpverlening voor verdachte passend is. Een jeugdreclasseringstoezicht van twee jaar is dan ook passend, zodat het gehele hulpverleningstraject kan worden opgestart en opgevolgd.
De Raad adviseert om aan verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan de specialistische hulpverlening, individueel of systemisch, indien de jeugdreclassering dit nodig acht. Ter zitting heeft de Raad daaraan nog als bijzondere voorwaarde toegevoegd dat verdachte meewerkt aan traumabehandeling.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt bij jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat die termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandig-heden. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 11 april 2023 is gehoord door de politie, waarmee de termijn is aangevangen. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zestien maanden. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
De straf
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. Binnen het jeugdstrafrecht wordt bij het bepalen van de straf veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank beoogt met de op te leggen straf een behandelkader voor verdachte mogelijk te maken. Uit het rapport van de Raad blijkt dat behandeling van verdachte nodig is en deze behandeling ook langere tijd in beslag zal nemen. Eerder ingezette intensieve hulpverlening in de vorm van MST-PSB is positief afgesloten, maar heeft niet kunnen voorkomen dat er een nieuw incident heeft plaatsgevonden. Wel is daarna hulpverlening aan verdachte op het gebied van zijn seksuele ontwikkeling voortgezet. Dit maakt dat de rechtbank toezicht en begeleiding van verdachte door de jeugdreclassering noodzakelijk vindt, om de benodigde hulpverlening voor verdachte te kunnen waarborgen.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank voorts rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het delict en de forse overschrijding van de redelijke termijn. Ook houdt de rechtbank rekening met de gevolgen die de aangifte heeft gehad voor [slachtoffer] , maar ook voor verdachte en hun beider familie. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de straf geheel voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd van 80 uur, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Die straf komt naar het oordeel van de rechtbank tegemoet aan alle belangen waarmee de rechtbank bij het bepalen van de straf in deze zaak rekening heeft te houden.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
40 dagen;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de
op twee jaren gestelde proeftijdna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* meewerkt aan de specialistische hulpverlening, individueel of systemisch, indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
* meewerkt aan traumabehandeling;
- draagt de Jeugdbescherming Brabant te Etten-Leur als gecertificeerde instelling op om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en aan het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.B. Prenger en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 december 2025.

9.Bijlage I

De tenlastelegging
hij in of omstreeks 26 december 2021 tot en met 31 december 2021 te [plaats] , althans in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
- die [slachtoffer] (op de lippen/mond) te kussen,
- die [slachtoffer] een of meerdere tongzoen(en) te geven,
- de borsten van die [slachtoffer] vast te pakken/te betasten/aan te raken,
- de borsten van die [slachtoffer] te likken en/of
- met zijn, verdachtes, hand/vingers aan de vagina van die [slachtoffer] te voelen;
(Artikel art 247 Wetboek van Strafrecht)