ECLI:NL:RBZWB:2025:9337

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
02-380731-24 en 02-380196-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging doodslag en bedreiging met verminderde toerekeningsvatbaarheid

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag en bedreiging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 29 november 2024 in Tilburg heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden door hem met een glazen fles te steken en te slaan. Daarnaast heeft hij op 28 november 2024 [slachtoffer 2] bedreigd met de dood. De rechtbank heeft deskundigen geraadpleegd die adviseerden over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Hoewel de deskundigen volledige ontoerekeningsvatbaarheid adviseerden, heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdachte heeft een gevangenisstraf van 389 dagen opgelegd gekregen, evenals tbs met voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen, die een schadevergoeding van € 8.000,00 heeft gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld en dat de schadevergoeding toewijsbaar is. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar gemaakt op 30 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-380731-24 en 02-380196-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,
raadsvrouw mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-380731-24heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan een (poging tot) zware mishandeling van die [slachtoffer 1] .
parketnummer 02-380196-24[slachtoffer 2] heeft bedreigd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en de bedreiging van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Naar de mening van de verdediging kunnen beide feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
parketnummer 02-380731-24
Aangezien verdachte voor het primair ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 december 2025;
- de aangifte van [slachtoffer 1] .
parketnummer 02-380196-24
Aangezien verdachte voor het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 december 2025;
- de aangifte van [slachtoffer 2] .
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-380731-24,
primairop 29 november 2024 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
meermaals althans eenmaal met (een deel van) een glazen fles voornoemde [slachtoffer 1] tegen/in de keel/nek/hals en/of tegen/op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestoken en/of geraakt en/of in de richting van zijn armen en lichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
parketnummer 02-380196-24op 28 november 2024 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een gebroken glazen flesje zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken richting die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen 'I'm gonna kill you!
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie neemt de bevindingen van de psycholoog en de psychiater over als het gaat om de door hen bij verdachte geconstateerde stoornissen en de conclusie dat verdachte door de ten tijde van de feiten aanwezige psychose niet meer in staat was de realiteit te toetsen. De officier van justitie volgt echter niet het advies van de deskundigen om de strafbare feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is immers gestopt met zijn medicatie terwijl hij door eerdere ervaringen in Spanje wist dat zijn psychoses terugkwamen als hij zijn medicijnen niet innam. Door te stoppen met zijn medicatie heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht waarin hij de strafbare feiten heeft gepleegd. Gelet daarop moet verdachte in ieder geval gedeeltelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen die mede daarvan het gevolg zijn. De feiten dienen in verminderde mate aan verdachte te worden toegerekend.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Naar de mening van de raadsvrouw blijkt uit het advies van de psychiater en de psycholoog en uit de bevindingen in het dossier dat verdachte ten tijde van de feiten niet heeft gehandeld op basis van een vrije keuze, maar onder invloed van een ernstige stoornis. De raadsvrouw heeft daarbij ook gewezen op de voorgeschiedenis van verdachte in Spanje, zijn komst naar Nederland, het stoppen met zijn medicatie en de ontregeling vanwege zijn ontslag. Verdachte was volledig ontoerekeningsvatbaar en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt allereerst op dat de vraag naar de toerekenbaarheid een juridische vraag betreft. Het gaat immers om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond. De vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de strafrechter. Dat laat onverlet dat de strafrechter bij de beantwoording van die vraag gebruik kan maken van adviezen van gedragsdeskundigen. In deze zaak hebben beide deskundigen geadviseerd tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte.
De strafrechter heeft echter een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Aan de strafrechter komt een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het waarderen van de adviezen en het maken van een selectie uit die adviezen.
Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet worden voldaan aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze gebrekkige ontwikkeling of stoornis en het tenlastegelegde. Ten slotte moet de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan.
De rechtbank komt op basis van de rapportages van [psychiater] van 9 juni 2025 en [gz-psycholoog] van 27 mei 2025 tot de vaststelling dat verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Met name de symptomen van de schizofrenie stonden hierbij op de voorgrond. Verdachte meende dat hij achtervolgd werd door demonen die hem kwaad wilden doen. Hij wilde die demonen uitschakelen.
Beide deskundigen hebben zich op het standpunt gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de genoemde stoornissen en het tenlastegelegde. De rechtbank deelt dat standpunt, gelet op de onderbouwing daarvan.
Anders dan de deskundigen is de rechtbank echter met de officier van justitie van oordeel dat er desondanks geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, aangezien het ontstaan van de psychose waarin verdachte ten tijde van de feiten verkeerde hem mede kan worden verweten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte is op 30 december 2022 vrijwillig opgenomen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis in Spanje. Hij had bij de opname paranoïde wanen, hallucinatoire ervaringen en een gestoorde realiteitstoetsing. Tijdens de opname is verdachte ingesteld op medicatie. Geleidelijk aan stabiliseerde zijn stemming, werd hij meer inzichtelijk en formuleerde hij haalbare toekomstplannen. Op 3 januari 2023 was er geen sprake meer van psychotische belevingen en op 10 januari 2023 werd verdachte uit het ziekenhuis ontslagen in stabiele toestand. Als diagnose is een acuut psychotische stoornis gesteld. Na de opname werd verdachte ambulant gevolgd door een psychiater en een casemanager.
In 2023 werd verdachte in Spanje voor een tweede keer opgenomen. Hij was zonder overleg zelfstandig gestopt met de inname van zijn medicatie en merkte dat het niet goed met hem ging. Hij herkende de symptomen van de eerdere opname. Tijdens de tweede opname werd naast de oorspronkelijke, orale, medicatie ook een depot antipsychoticum gestart. Na de opname werd verdachte opnieuw ambulant gevolgd door een psychiater en een casemanager. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij, op het moment dat hij naar Nederland kwam, in Spanje nog werd gecontroleerd op inname van zijn medicatie.
In juli 2024 kwam verdachte naar Nederland om te werken. In Nederland is hij zonder overleg zelfstandig gestopt met zijn medicatie (orale medicatie en depot).
Nu verdachte eerder in Spanje al heeft ervaren dat hij vrij snel na het stoppen met zijn medicatie weer een psychose kreeg, is de rechtbank van oordeel dat de psychotische toestand waarin verdachte ten tijde van de feiten verkeerde mede aan hemzelf te wijten is geweest. Verdachte heeft, ondanks die eerdere ervaring en ondanks het feit dat hij in Spanje nog op zijn medicatie werd gecontroleerd, ervoor gekozen om na aankomst in Nederland te stoppen met zijn medicatie, zonder overleg met een arts. Hij heeft hierbij niet om advies gevraagd.
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.
Omdat van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte geen sprake is en ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die tot een andersluidend oordeel aanleiding zou kunnen geven, is de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten strafbaar te achten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 396 dagen met aftrek van voorarrest en tbs met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd. De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte de maatregel van tbs op te leggen met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd en die maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zonder enige aanleiding geprobeerd [slachtoffer 1] te doden door met een kapotte glazen fles, een gevaarlijk en potentieel dodelijk wapen, meerdere malen in te steken op [slachtoffer 1] en hem met die fles op zijn hoofd te slaan. [slachtoffer 1] probeerde te vluchten, maar verdachte bleef hem achtervolgen en aanvallen, omdat hij [slachtoffer 1] wilde uitschakelen. Dit moet zeer angstaanjagend zijn geweest. [slachtoffer 1] heeft daarbij ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Ter zitting heeft [slachtoffer 1] verteld wat dit geweld met hem heeft gedaan. Hij is in het ziekenhuis direct geopereerd aan zijn hand - die daarna acht weken in het gips moest - en had lang fysiotherapie nodig. [slachtoffer 1] is nog niet volledig hersteld. Hij heeft nog krachtverlies in zijn rechterhand en kan zijn werk als stoffeerder niet meer uitoefenen. Er staat een nieuwe operatie aan zijn hand gepland. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] angst- en paniekaanvallen, PTSS en een evenwichtsstoornis overgehouden aan het feit en kan hij niet meer zelfstandig wonen.
De dag voorafgaand aan de poging doodslag op [slachtoffer 1] heeft verdachte [slachtoffer 2] bedreigd met de dood door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen 'I'm gonna kill you!. Ook hierbij had verdachte een gebroken fles in zijn handen.
Dit gedrag getuigt van een patroon van agressie en intimidatie.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages van [psychiater] en [gz-psycholoog] . Bij de overwegingen over de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank de adviezen uit deze rapporten al deels besproken. Beide deskundigen hebben geadviseerd om aan verdachte tbs met voorwaarden op te leggen.
De reclassering heeft een maatregelenrapport opgemaakt en adviseert daarin positief over tbs met voorwaarden. In het rapport worden, kort gezegd, de volgende voorwaarden genoemd:
• geen strafbaar feit plegen,
• meewerken aan reclasseringstoezicht,
• meewerken aan een time-out,
• niet naar het buitenland gaan zonder toestemming van de reclassering,
• opname in een zorginstelling,
• een ambulante behandeling,
• begeleid wonen of maatschappelijke opvang,
• een drugsverbod,
• een alcoholverbod,
• meewerken aan inzicht in zijn financiën.
Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
Gevangenisstraf
Vanwege de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte in een psychose heeft gehandeld en het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Ook de impact die de feiten op de samenleving en met name de slachtoffers heeft gehad weegt de rechtbank mee.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van 389 dagen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht. Dit betekent dat verdachte na de uitspraak voor deze feiten niet terug hoeft naar de gevangenis.
Maatregel
Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld.
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Oplegging van dwangverpleging is thans niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarden zoals die door de reclassering in haar rapport zijn geadviseerd en in het dictum zijn opgenomen. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.
Gelet op de noodzaak van een behandeling en omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan tegen of gevaar veroorzaakt voor veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, zal de rechtbank bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

8.De vordering van de benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 02-380731-24 vordert de benadeelde partij [slachtoffer 1] een schadevergoeding van € 8.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank in zijn geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 29 november 2024.
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-380731-24,
primair:poging tot doodslag;
parketnummer 02-380196-24:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 389 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte en stelt daarbij als
voorwaarden:
1. verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
• verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;
• verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
• verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
• verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
• verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
• verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
• verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
3. als de reclassering dat nodig vindt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering;
5. verdachte laat zich opnemen in FPA Kompas of een vergelijkbare forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. verdachte laat zich behandelen door een nader te bepalen forensische ambulante behandelaar, te bepalen door de reclassering. De behandeling start in aansluiting op de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
7. verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start in aansluiting op de klinische behandeling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
8. verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
9. verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
10. verdachte geeft inzicht in zijn financiën, bankafschriften en laat zich indien nodig begeleiden op dit gebied;
- draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 8.000,00aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 8.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
75 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. R.T. Poort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 30 december 2025.
Mr. Pastoors en mr. Poort zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
parketnummer 02-380731-24
primairhij op of omstreeks 29 november 2024 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
meermaals althans eenmaal met (een deel van) een glazen fles voornoemde [slachtoffer 1] tegen/in de keel/nek/hals en/of tegen/op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestoken en/of geraakt en/of in de richting van zijn armen en/of lichaam heeft geslagen en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiairhij op of omstreeks 29 november 2024 te Tilburg aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere (diepe) sneeën op het hoofd en/of in de keel/nek/hals en/of in de armen althans op het lichaam, heeft toegebracht door hem meermaals althans eenmaal met (een deel van) een glazen fles tegen/in de keel/nek/hals en/of tegen/op het (achter)hoofd te slaan en/of te steken en/of te raken en/of in de richting van zijn armen en/of lichaam te slaan en/of te steken;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiairhij op of omstreeks 29 november 2024 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals althans eenmaal met (een deel van) een glazen fles tegen/in de keel/nek/hals en/of op/tegen het (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestoken en/of geraakt en/of in de richting van zijn armen en/of lichaam heeft geslagen en/of gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
parketnummer 02-380196-24
hij op of omstreeks 28 november 2024 te Tilburg [slachtoffer 2] [YV: dit moet [slachtoffer 2] zijn] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een gebroken glazen flesje zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken richting die Bud en/of die Bud dreigend de woorden toe te voegen 'I'm gonna kill you!, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)